Wat is de betekenis van morgen?

2024-02-28
Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek (2009-heden)

morgen

Het begrip morgen heeft 6 verschillende betekenissen: 1) eerste deel van de dag tot aan de middag. eerste gedeelte van de dag tot aan de middag, gerekend vanaf de ochtendschemering of vanaf het hernemen van de activiteiten na de nachtrust. 2) bijeenkomst 's morgens. bijeenkomst 's morgens, georganiseerd voor een optreden, e...

2024-02-28
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

morgen

morgen - Zelfstandignaamwoord 1. (tijdrekening) het eerste deel van de dag, na de nacht en vóór de middag 2. (verouderd), (landmeetkunde) een oude Nederlandse oppervlaktemaat, die afhankelijk van de streek gewoonlijk iets kleiner dan een hectare was morgen - Bijwoord 1. (tijdrekening) de eerstvolgende dag na vandaag ...

2024-02-28
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

morgen

morgen - zelfstandig naamwoord, bijwoord uitspraak: mor-gen 1. tijd vanaf zonsopgang tot de middag ♢'s morgens sta ik vroeg op 1. goede morgen [groet] 2. de morgen breekt...

2024-02-28
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

morgen

- het is nog niet voor morgen, gebeurt voorlopig niet. Frigoboxtoerisme in ruimte is niet voor morgen. - GvA, 01-05-2002.

Wil je toegang tot alle 20 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-28
Dromen encyclopedie

Fink (1998)

Morgen

In zekere zin de ‘zucht’ in de droom die het donker en de onzekerheid van de dromer ‘wegblaast’ en hem nieuwe wegen laat bewandelen, ’s Morgens brengt de zon alles aan het licht. Dit is het tijdstip waarop wordt beslist of we ons positief of eerder negatief zullen ontwikkelen. Soms wijst de morgen ook op de eigen jeugd...

2024-02-28
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc de Coster (1998)

Morgen

1. - bij de koffie,cliché gezegde wanneer men een verzoek afslaat. Syn. van 2. Al erg oud. 2. - brengen, dat kun je denken. Wanneer iets anders is verlopen dan men had verwacht. Ook als uitdr. van ongeloof. Meestal ironisch gebruikt. In dezelfde zin goeiemorgen; ammehoela/aan mijn hoela; je tante (op een houtvlot); je zus/zuster op een houtvlot (...

2024-02-28
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

morgen

In Vl.-België het gewone woord voor het begin van de dag (tot de middag); in een groot aantal toep. gebruikt men in Nederl., m.n. boven de Moerdijk, ochtend. - Zie ook de (in beperkt aantal opgenomen) sam. Hij voelde zich ziek en moe. Hij had de hele nacht bijna niet geslapen. Slechts op de morgen was hij even ingedommeld in een...

2024-02-28
Encyclopedie van Friesland

Prof. Dr. J.H. Brouwer (1958)

MORGEN

Bouwlandmaat: zoveel land als een span ossen in één morgen kan ploegen. Noordhollandse maat, in Frl. alleen gebruikt in en om Het Bildt (92 a), en in officiële registers.

2024-02-28
Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Morgen

Oude landmaat (z. Maten en gewichten).

2024-02-28
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Morgen

1. s., moarn, moarntiid; ’s morgens, moarns; die —, de moarns, de moarne; vroeg in de —, yn ’e foarmoarn; ’s morgens vroeg, ieremoarn, moarns bytiid, moarns ier; onlangs op een —, (h)okkermoarns, lêstenmoarns; (groet), (goe)moarn. 2. s.n., moargen (it)...

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Morgen

I. MORGEN m. (-s), 1. tijd tussen de nacht en de volle dag, ochtendstond; begin van de dag: de morgen breekt aan; tegen de morgen heeft het iets gevroren; — van de morgen tot de avond zit hij te werken, altijd door, zonder ophouden; 2. (bij uitbr.) tijd lopende van het begin van de dag tot de middag: gedurende, in de...

2024-02-28
De Kleine Winkler Prins

Winkler Prins (1949)

Morgen

vroeger gebruikte landmaat, ca 0.318 ha.

2024-02-28
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

morgen

I. m. -s; ochtendstond; het begin van de dag lopende tot de middag: het is, het wordt morgen, de morgen breekt aan; des morgens; een zomerse morgen; iemand goede morgen wensen; fig. de morgen des levens, eerste levenstijdperk; II. bw. 1. op de dag, volgende op heden: ik kom morgen; vandaag of morgen, op de een of andere dag; 2. in het alg. in de (...

2024-02-28
Encyclopedie voor Iedereen

John Kooy (1933)

Morgen

oude landmaat; plaatselijk verschillend.

2024-02-28
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

morgen

('morgәn) A. I. m. (-s; -tje) Eig. begin van de dag tussen de nacht en de volle dag : een heerlijke, liefelijke, lachende, nevelachtige,sombere, zomerse-; het is, wordt -; de breekt aan, grauwt; het krieken van de -; (goede) ! goede wensen, zeggen; des -s, 's -s ; →s -s vroeg; ’s -s om zeven uur; van de (vroege) tot de (late) a...

2024-02-28
Woorden en uitdrukkingen verklaard

Dr. C.H. PH. Meijer (1919)

Morgen

landmaat, in verschillende streken varieerend, waarvan de algemeenst in gebruik zijnde was de Rijnlandsche, die +/4/5 H.A. was. Oorspr. zooveel als een man in een morgen beploegen kan; zoo ook in het mnl. dachmaet, en in het mlat. dies (eig. dag).

2024-02-28
Oosthoek encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Morgen

Morgen - oude landmaat van verschillende grootte. 1 N.-Holl. m. = 1 Rijnlandsche m. = 600 vierk. roeden = 0,8616 H.A., 1 Bildtsche m. = 0,92 H.A., 1 Sallandsche m. = 600 Sall. roeden = 1.2323 H.A., 1 Geldersche m. = 160 roeden van 16 voet = 0.318 H.A., 1 m. in Duitschland = 0,25 H.A.

2024-02-28
Handelslexicon

J. Hagers (1910)

Morgen

Morgen - oude vlaktemaat, in verschillende landen van ongelijke grootte.

2024-02-28
Vivat's Geïllustreerde Encyclopedie

J. Kramer (1908)

Morgen

gehucht in de gem. Heerlen, Limb.

2024-02-28
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Morgen

1. Morgen m. (-s), tijd tusschen den nacht en den vollen dag, ochtendstond, begin van den dag: de morgen breekt aan; tegen den morgen heeft het iets gevroren; — van den morgen tot den avond zit hij te werken, altijd door, zonder ophouden; — bij uitbreiding; ochtend, tijd van het krieken van den dag of van iemands opstaan tot ‘s m...