leren betekenis & definitie

leren - regelmatig werkwoord
uitspraak: le-ren

1. ervoor zorgen dat iemand anders iets kan of weet
♢ Ernst leert zijn zoon schaken
2. ervoor zorgen dat je iets kunt of weet
♢ ik heb deze zomer leren surfen
1. van buiten leren
[zorgen dat je het meteen weet]
2. ik zal je leren!
[ik ga je straffen]
3. leer jij maar hoor, er zijn sufferds genoeg (TB)
[het is goed dat je leert]

Regelmatig werkwoord: le-ren
ik leer
jij/u leert
hij/zij leert
wij/zij/jullie leren
ik/jij/u/hij/zij leerde
wij/zij/jullie leerden
hij heeft geleerd
de/het/een geleerde ....
lerend, lerende

Synoniemen
aanleren, opsteken

Tegenstellingen
afleren