laten betekenis & definitie

laten - onregelmatig werkwoord
uitspraak: la-ten

1. veroorzaken dat het gebeurt
je laat me schrikken
1. kunt u ons laten weten wat het besluit is
[kunt u ons dat meedelen?]
2. het niet doen
♢ laat dat!
1. laat maar
[het hoeft niet meer]
3. er niets aan veranderen
♢ laat die deur open
1. het buiten beschouwing laten
[het er niet over hebben]
2. we laten het erbij
[we veranderen er niets aan]
3. dat laat me koud
[het doet me niets]
4. wil je me met rust laten?
[niet storen]
5. toen ik het geld teruggaf, zei de klant: laat maar zitten
[ik hoef het niet terug]
4. vertrekken zonder hem mee te nemen
♢ kunnen we onze kinderen hier laten?
1. heb ik mijn sleutels hier laten liggen?
[heb ik ze hier achtergelaten?]
2. waar heb ik mijn sleutels gelaten?
[waar heb ik ze opgeborgen?]
5. mogelijk maken dat hij er komt
♢ ik laat de kat binnen
6. aansporing om iets te doen
♢ laten we hem verrassen!

Algemene uitdrukkingen:
1. die baan heb ik laten schieten
[ik heb hem niet genomen]
2. ik ben nog nooit in het buitenland geweest, laat staan in Zuid-Afrika
[dus daar zeker niet]
3. een wind laten
[die niet inhouden]
4. laat hij nou gelijk hebben!
[tot mijn verbazing had hij gelijk]
Onregelmatig werkwoord: la-ten
ik laat
jij/u laat
hij/zij laat
wij/zij/jullie laten
ik/jij/u/hij/zij liet
wij/zij/jullie lieten
hij heeft gelaten
de/het/een gelaten ....

Synoniemen
doen, nalaten

Tegenstellingen
beoefenen, doen