laat betekenis & definitie

laat - bijvoeglijk naamwoord

1. verder in de tijd dan gebruikelijk of afgesproken is
we gaan naar huis, het is al laat
1. hoe laat is het?
[welke tijd wijst de klok aan?]
2. vroeg of laat zal ik slagen
[ooit zal ik slagen]
3. beter laat dan nooit
[je had het niet meer verwacht maar het gebeurt toch nog]
4. dan weet je wel hoe laat het is
[dat weet je wel hoe het zit]
5. het laat maken
[laat thuiskomen]

Bijvoeglijk naamwoord: laat
... is later dan ...
het laatst
de/het late ...

Tegenstellingen
vroeg