lastig betekenis & definitie

lastig - bijvoeglijk naamwoord
uitspraak: las-tig

1. waar je door gestoord of belemmerd wordt
♢ de kinderen waren vandaag erg lastig
1. hem lastig vallen
[hem storen of tegen zijn zin aanraken]
2. een lastig portret
[een vervelend, moeilijk mens]
2. wat veel inspanning kost om te doen
♢ dat was een lastige vraag
1. een lastig karwei
[een moeilijke zaak]
2. iemand in een lastig parket brengen
[in een moeilijke positie brengen]
3. wat problemen oplevert
♢ ik vind het lastig dat hij nooit zegt wat hij bedoelt

Bijvoeglijk naamwoord: las-tig
... is lastiger dan ...
het lastigst
de/het lastige ...
iets lastigs

Synoniemen
akelig, bezwaarlijk, erg, hinderlijk, ingewikkeld, lullig, moeilijk, naatje, onverdraaglijk, storend, vervelend, waardeloos

Tegenstellingen
aangenaam, fijn, gemakkelijk, goed, lekker, leuk, licht, lustig, makkelijk, plezierig, prettig, senang