Wat is de betekenis van Lastig?

2019
2021-01-19
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

lastig

lastig - Bijvoeglijk naamwoord 1. moeilijheden veroorzakend of opwerpend Hij is het lastigste kind van de klas. Dat is een lastiger probleem dan het vorige. lastig - Bijwoord 1. met moeite, op lastige wijze 2. bijwoordelijk deel...

Lees verder
2018
2021-01-19
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

lastig

lastig - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: las-tig 1. waar je door gestoord of belemmerd wordt ♢ de kinderen waren vandaag erg lastig 1. hem lastig vallen [hem storen of tegen zijn zin aanraken]...

Lees verder
1998
2021-01-19
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Lastig

een - portret een lastig mens. Informele uitdr. Een lastig portret, die Greet, echt een dame. (Jan Mens: Mensen zonder geld, 1939)

Lees verder
1980
2021-01-19
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Lastig

Lastig komt van last en last komt van laden, zoals dienst van dienen. Lastig is dus letterlijk: een last vormend, dus: zwaar, drukkend. Men gebruikte het woord vroeger ook van spijzen die zwaar op de maag lagen. Lastig waren voorts de mensen in wier onderhoud door hun familie moest worden voorzien. Zij kwamen tenlaste van zoons en dochters of van d...

Lees verder
1973
2021-01-19
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

lastig

bn. en bw. (-er, -st), 1. last bezorgend, hinder veroorzakend: een kind; de zieke was —; hij is — met eten; iemand vallen, hem hinder veroorzaken: wie zou me daar nog over — vallen; (ook) iemand met een verzoek aan boord komen; (ook) met oneerzame bedoelingen naderen: een meisje vallen; 2. moeilijk; moeite, hoofdbreken kostend: ee...

Lees verder
1950
2021-01-19
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Lastig

bn. bw. (-er, -st), 1. last bezorgend, hinder veroorzakend: een lastig kind; de zieke was lastig; hij is lastig met eten; een lastig examinator; — lastig vallen, tot last zijn, hinderen; iem. lastig vallen, hem hinder veroorzaken: wie zou me daar nog over lastig vallen; ook: iem. met een verzoek aan boord ko...

Lees verder
1898
2021-01-19
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Lastig

Lastig bn. bw. (-er, -st), moeilijk, bezwaarlijk een lastig examen, dat zal lastig gaan. — hinderend, onaangenaam; vermoeiend; vervelend; — lastig vallen, tot last zijn, overlast doen, hinderen: iem. om iets lastig vallen, gestadig en met aandrang iets van hem verzoeken; — een lastige gast, rustverstoorder, onruststoker; &mdash...

Lees verder