have betekenis & definitie

have - zelfstandig naamwoord
uitspraak: ha-ve

1. wat van jou is, waar je eigenaar van bent
hij heeft zijn have goed verzekerd
1. liggende have
[onroerend goed]
2. tilbare have
[meubelen en dergelijke]
3. levende have
[vee en huisdieren]
4. have en goed verliezen
[alles wat je bezit kwijtraken]

Zelfstandig naamwoord: ha-ve
de have

Synoniemen
bezit, bezitting, eigendom