Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

gunst

betekenis & definitie

gunst - zelfstandig naamwoord

1. wie goed is voor zijn mindere terwijl hij daartoe niet verplicht is
♢ het was een gunst van mijn baas dat ik een uur eerder weg mocht
2. iets waaruit blijkt dat iemand je goed gezind is, je graag mag
♢ het was echt een gunst dat je in zijn nieuwe auto mocht rijden
1. gunst baart nijd
[men wordt jaloers als je gunsten krijgt]
2. bij iemand in de gunst staan
[door hem bevoordeeld worden]
3. ten gunste van
[in het voordeel van]

Zelfstandig naamwoord: gunst
de gunst
de gunsten
het gunstje