bouwwerk betekenis & definitie

bouwwerk - zelfstandig naamwoord
uitspraak: bouw-werk

1. wat gemaakt is uit onderdelen en waar je in kunt wonen of werken
♢ dat bouwwerk heeft mijn vader nog gemaakt

Zelfstandig naamwoord: bouw-werk
het bouwwerk
de bouwwerken
het bouwwerkje