Muiswerk

Woordenboek van Muiswerk Educatief

Gepubliceerd op 14-11-2017

2017-11-14

bed

betekenis & definitie

bed - zelfstandig naamwoord

1. slaapplaats van onderstel met matras erop
♢ het is 11 uur, ik ga naar bed
1. het bed houden
[in bed blijven]
2. het bed met iemand delen
[seks hebben met hem of haar]
3. met je verkeerde been uit bed gestapt zijn
[chagrijnig zijn]
4. met iemand naar bed gaan
[seksuele omgang met hem hebben]
5. zijn bedje is gespreid
[hij gaat gemakkelijk een goede toekomst tegemoet]
6. het bed houden
[in bed blijven wegens ziekte]
7. ik sta ermee op en ik ga ermee naar bed
[ik denk er steeds aan]
8. iemand van zijn bed lichten
[hem 's nachts arresteren]
9. gescheiden zijn van tafel en bed
[apart wonen, maar nog wel getrouwd zijn]
10. dat is ver van mijn bed
[daar voel ik me niet bij betrokken]
2. stukje tuin met één soort bloemen of planten
♢ opa heeft een bed aardbeien aangelegd

Zelfstandig naamwoord: bed
het bed
de bedden
het bedje

Synoniemen
nest