Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

Gepubliceerd op 14-11-2017

bazig

betekenis & definitie

bazig - bijvoeglijk naamwoord
uitspraak: ba-zig

1. wie zijn wil aan anderen oplegt
♢ de vrouw van James is nogal bazig, hij heeft weinig te vertellen

Bijvoeglijk naamwoord: ba-zig
... is baziger dan ...
de/het bazige ...
iets bazigs

Synoniemen
autoritair