aap betekenis & definitie

aap - zelfstandig naamwoord

1. zoogdier dat het meest op een mens lijkt
♢ de aap at een banaan
1. voor aap staan
[voor gek staan]
2. daar komt de aap uit de mouw
[nu blijkt wat er echt gebeurd is]
3. in de aap gelogeerd zijn
[in moeilijkheden zijn]
4. als apen hoger klimmen willen, ziet men gauw hun blote billen
[wie zich beter voordoet dan hij is, valt een keer door de mand]
5. zich een aap lachen
[heel erg moeten lachen]
6. al draagt een aap een gouden ring, het is en blijft een lelijk ding
[je wordt niet mooier van chique kleren of sieraden]
7. een aangeklede aap
[iemand die erg opzichtig gekleed is]
8. aap, wat heb je mooie jongen (TB)
[gezegd als iemand zich mooi voordoet]
9. een aap van een jongen
[een deugniet]
10. zich een aap schrikken
[heel erg schrikken]
11. voor aap staan
[je belachelijk maken]
12. iemand voor aap zetten
[hem in het openbaar belachelijk maken]

Zelfstandig naamwoord: aap
de aap
de apen
het aapje