Olympisch Staion in Amsterdam betekenis & definitie

Het Olympisch Stadion (Stadionplein 20) werd gebouwd ten behoeve van de negende Olympiade, die van 17 mei tot 12 augustus 1928 in Amsterdam werd gehouden met bijna drieduizend atleten in veertien sporten (109 evenementen).

Naar plannen van J. Wils en met C. van Eesteren als stedenbouwkundige en G. Jonkheid als constructeur bouwde men in 1926-'28 een ovaal stadion voor ruim 31.000 toeschouwers met een betonnen wielerbaan, een sintelbaan, een voetbalveld en twee atletiekvelden. De kleed- en dienstruimtes werden ondergebracht onder de tribunes, waarvan het gewapend-betonskelet aan de buitenzijde met baksteen werd bekleed. Voor de ijzeren vakwerkoverkappingen aan de lange zijden werd E.A. van Genderen Stort als constructeur aangetrokken. Boven de ‘Marathonpoort’ naar het stadion stonden de woorden ‘Citius, Altius, Fortius’ (sneller, hoger, sterker).

Blikvanger is de in de voor Wils typerende zakelijk-expressionistische stijl uitgevoerde Marathontoren, waarvan de hoogte (42,19 m) één duizendste bedraagt van de langste wedstrijdafstand. De schaal bovenop diende voor het Olympische vuur en direct daaronder bevinden zich openingen voor luidsprekers en balkons voor bazuinblazers. Ontworpen door Wils en uitgevoerd door beeldhouwster G. Rueb is het Van Tuyllmonument met op een sokkel een atleet die de Olympische groet brengt. Dit monument is opgericht ter nagedachtenis aan de eerste NOC-voorzitter F.C.W.H. baron van Tuyll van Serooskerken († 1924).

Van alle Olympische sportaccommodaties resteert slechts het stadion, dat in 1992 ternauwernood van de sloop is gered en in 2000-'01 is gerenoveerd. Daarbij zijn de wielerbaan en een in 1936-'37 aangebrachte betonnen buitenring verdwenen. Bij het ruitersportterrein staan nog twee pijlers met ruiterstandbeelden van J. Raedecker (bij Tuyll van Serooskerkenplein 43). Ter plaatse van de schermzaal en het krachtsportgebouw zijn in staalskeletbouw twee drielaagse functionalistische garages (Citroën) gebouwd, de zuidelijke in 1929-'31 (Wils) en de noordelijke in 1959-'61 (Wils met F. Ottenhof).