Amsterdam buiten de singelgracht betekenis & definitie

In deze tweede sectie van de beschrijving van Amsterdam komen de laat-19de-eeuwse en vroeg-20ste-eeuwse stadsuitbreidingen aan bod, grofweg de nieuwe wijken tot aan de forse uitbreiding van de gemeentegrenzen in 1921. Met de wijzers van de klok mee gaat het om de huidige wijken: Oost (inclusief Zeeburg), De Pijp en Rivierenbuurt, Oud- en Nieuw-Zuid, Oud-West en De Baarsjes, en ten slotte Westerpark.

De eerste plannen in de 19de eeuw voor een algemene uitbreiding buiten de Singelgracht kwamen van stadsingenieur J.G. van Niftrik (1867). Hij voorzag een schilvormige uitleg met zowel arbeiderswijken en industrieterreinen (oost- en westzijde) als een parkgebied met villa's, middenstandswoningen en een centraal spoorwegstation (zuidzijde). Dit plan werd echter afgewezen, onder meer omdat het geen rekening hield met bestaande eigendomsverhoudingen en verkavelingen. Dat was wel het geval bij het uitbreidingsplan van directeur Gemeentewerken J. Kalff (1876), dat minder ambitieus was en meer ruimte bood voor particuliere bouwondernemers. Bovendien was het Centraal Station inmiddels geprojecteerd op de huidige plek aan het IJ. Op basis van deze plannen verrezen bijvoorbeeld de Kinkerbuurt, de Pijp en de Dapperbuurt met hun kenmerkende ‘revolutiebouw’. De Pijp kreeg het Sarphatipark (1885) als groenvoorziening en Oost het Oosterpark (1894). Verder bouwde men aan de westzijde van de stad de Spaarndammerbuurt, de Staatsliedenbuurt en de Frederik Hendrikbuurt (voltooid begin 20ste eeuw).

Verzorgder was de nieuwe bebouwing langs de Vondelstraat en omgeving, en in het Museumkwartier achter het Rijksmuseum. Bij de ontwikkeling van dat kwartier speelde P.J.H. Cuypers, architect van het Rijksmuseum (1876-'85) een grote rol. De villabouw aan het Museumplein kwam vanaf 1891 tot stand, de omringende straten volgden daarna. Behalve het Rijksmuseum staan bij het in 1996-'99 (S.-I. Anderson) heringerichte museumplein nog het Concertgebouw (1882-'86), het Stedelijk Museum (1891-'95) en het later toegevoegde Van Goghmuseum (1977). De bebouwing van deze buurt en van de aangrenzende Vondelpark- en Concertgebouwbuurt (Oud-Zuid) werd verwezenlijkt op het gebied van de gemeente Nieuwer-Amstel (tot 1896). Het Vondelpark was deels al in 1864 aangelegd (noordelijke deel) en werd in de jaren zeventig verder uitgebreid. Tegen de zuidzijde van die uitbreiding ontstond vanaf 1902 de villawijk Willemspark (Emmaplein e.o.) op basis van een plan van Van Niftrik uit 1881. Door de opening van het Noordzee Kanaal (1876) en het Merwedekanaal (1892) kreeg Amsterdam een belangrijke plaats in de doorvoer en handel van goederen uit het Duitse achterland. Verder groeide de handel in koloniale goederen na de afschaffing van het Cultuurstelsel (1862). Omdat het Centraal Station en de aansluitende spoorlijnen de oude havens ontoegankelijk hadden gemaakt voor grote schepen, kwam op enkele nieuw aangeplempte eilanden in het IJ het Oostelijk Havengebied tot ontwikkeling. Hier ontstonden onder meer de Handelskade (1883, circa 1900 volledig in gebruik), de Ertskade (1896) en het Nieuw Entrepot (1900). Begin 20ste eeuw volgden nog diverse andere kades, die veelal werden vernoemd naar overzeese gebiedsdelen (Javakade, Sumatrakade, Borneokade). Bij de Spaarndammerbuurt was vanaf 1876 een begin gemaakt met het Westelijk Havengebied (Houthaven, Nieuwe Houthaven, Minervahaven), dat in de periode 1925-'33 verder werd uitgebreid (Coenhaven, Vlothaven). Het in 1874-'75 gegraven Westerkanaal bood aan de westzijde van de stad mogelijkheden voor pakhuizen (suiker, graan) en voor industrie, zoals de grote Westersuikerraffinaderij (1882, gesloopt 1985). Ten noorden van de Haarlemmerweg werd de Westergasfabriek ingericht (1884) nabij het latere Westerpark (1891). Aan de oostzijde van de stad kwam de Oostergasfabriek tot stand (1887).

De annexatie van grote delen van de gemeente Nieuwer-Amstel (1896) bood Amsterdam kansen op verdere uitbreiding aan de zuidzijde. Na een eerste en afgewezen plan van directeur Gemeentewerken C.L.M. Lambrechtsen van Ritthem maakte architect H.P. Berlage een nieuw Plan-Zuid (1900, aangenomen 1905). Uitstel noopte hem tot het maken van een tweede ontwerp (1917). Het oostelijke deel van dit plan, de Rivierenbuurt, kreeg een Y-vormige hoofdstructuur bij het Victorieplein (Vrijheidslaan, Churchilllaan en Rooseveltlaan). Het westelijke deel, Nieuw-Zuid en Harmoniehof, heeft als centrale noord-zuidas de Minervalaan met het Minervaplein (1930) en in oost-westrichting de Stadionweg met aan het uiteinde het Olympisch Stadion (1928). Ten zuiden van het Zuider Amstelkanaal verrees na 1950 woonbebouwing in een opzet die afwijkt van het plan-Berlage. Hier zijn ook het Beatrixpark en het RAI-complex (1961) aangelegd, en later nog het station Zuid-WTC (1978) aan de ringspoorlijn en de Ringweg-Zuid.

De uitvoering van Plan-Zuid vanaf 1918 behoorde bij een reeks substantiële uitbreidingen in de jaren twintig en dertig (Ring '20-'40). In 1922 volgde de goedkeuring van het Plan-West met de Admiralenbuurt en de Postjesbuurt. De bebouwing ten zuiden van deze buurten volgde tussen 1925 en 1935. Rond 1920 ontstonden verder nog uitbreidingen van de Spaarndammerbuurt (zoals het Spaarndammerplantsoen e.o.) en de Pijp (Zuidelijke Pijp), en uitbreidingen van de rond 1900 opgezette Transvaalbuurt en Indische Buurt. Terwijl gesloten bouwblokken met etagewoningen de nieuwe wijken domineerden, propageerde A. Keppler - directeur van de in 1915 opgerichte Woningdienst - de aanleg van tuindorpen met lage woningen in een groene omgeving. Dergelijke wijken kwamen vooral tot stand in Amsterdam-Noord, Sloten/Slotermeer en de Watergraafsmeer na de uitbreiding van de gemeentegrenzen in 1921.

In het Algemeen Uitbreidingsplan (1934), gepresenteerd door de Dienst Stadsontwikkeling (opgericht 1929), werden wonen, werken, ontspanning en verkeer van elkaar gescheiden. Dit plan is overigens grotendeels na de Tweede Wereldoorlog verwezenlijkt. Toen zijn ook diverse van de hiervoor genoemde buurten onderworpen aan saneringen en stadsvernieuwing. Voor de verdere ontwikkeling van de stad is het Amsterdams Structuurplan (1985) opgesteld. De rondweg om Amsterdam heeft men kunnen voltooien in 1990. Terwijl het Westelijk Havengebied na de oorlog verder is uitgebreid, heeft het Oostelijk Havengebied zijn functie verloren. Bij een ingrijpende sanering vanaf de jaren negentig van de 20ste eeuw is hier veel moderne woningbouw tot stand gekomen en in dit gebied staat nu ook 't Muziekgebouw aan het IJ (2005).

Na de behandeling van de objecten in het gebied van de bovenbeschreven 19de- en vroeg-20ste-eeuwse uitbreidingen, volgt een derde sectie (Amsterdam-....) met de beschrijving van de buitenwijken in de in 1921 van diverse buurgemeenten geannexeerde stadsdelen. In alfabetische volgorde betreft het de wijken Bijlmermeer ((inclusief Driemond), Buitenveldert, Buiksloot (Amsterdam-Noord: westelijk deel, inclusief Tuindorp Oostzaan), Nieuwendam (Amsterdam-Noord: oostelijk deel met Schellingwoude). De westelijke tuinsteden zijn onderverdeeld in een zuidelijk deel Sloten (met Overtoomse Veld, Slotervaart en Osdorp) en een noordelijk deel Slotermeer (met Sloterdijk, Bos en Lommer en Geuzenveld). Als laatste komt de Watergraafsmeer aan bod.

Ten slotte behoren tot de gemeente Amsterdam nog de dorpen Durgerdam, Holysloot, Ransdorp en Zunderdorp. Deze zijn elders alfabetisch opgenomen.

Gepubliceerd op 22-05-2017