Lexicon der Natuurgeneeskunde

Vraagbaak voor het moderne gezin (Uitgave Milinda Uitgevers, 1981)

Gepubliceerd op 11-06-2020

2020-06-11

Oog

betekenis & definitie

zintuigorgaan voor de lichtprikkels. Het oog ligt met zijn beschermende organen in de trechtervormige, benige oogkas, ter weerszijden van de neuswortel, in de aangezichtsschedel.

Het ligt ingebed in vetweefsel. De oogspieren, die het naar alle kanten laten bewegen, zijn hier rechtstreeks aan de oogbal aangehecht. De oogappel is kogelrond en wordt omsloten door de harde witte oogrok, die aan de voorzijde direct overgaat in het ronde, doorzichtige hoornvlies. Binnenin ligt het vaatvlies, dat rijk is aan bloedvaten, tegen de oogrok aan en op dit vaatvlies ligt het lichtgevoelige netvlies, dat met zijn vezels rechtstreeks uitmondt in de gezichtszenuw. Deze komt aan de neuszijde van de achterste pool door de oogrok uit het oog naar buiten, loopt door de trechterpunt van de oogholte, waarna zij verdwijnt in het inwendige van de schedel. Tot net buiten de grens van het hoornvlies ligt het vaatvlies tegen de oogrok aan, loopt dan haaks op de lengteas van het oog als regenboogvlies door het inwendige van het oog.

Het regenboogvlies (de iris) heeft in het midden een ronde opening, de pupil. Direct daar achter ligt de lens. Achter de lens, in het inwendige van het oog, bevindt zich de geleiachtige, doorzichtige vulmassa van het glaslichaam, dat zorgt voor de spanning van de oogappel en waardoor netvlies en vaatvlies dicht tegen elkaar aan blijven liggen. Tussen hoornvlies, regenboogvlies en lens ligt de voorste oogkamer, tussen de achterkant van het regenboogvlies en de lens de achterste oogkamer, die gevuld is met een heldere vloeistof. Wanneer de oogrok niet erg dik is, kan het zijn dat het donkere vaatvlies erdoorheen schemert en de witte oogappel een blauwachtige tint geeft (kinderen, jonge mensen). De pupil kan door middel van gladde lengte- en kringspieren verwijd en vernauwd worden.

Wanneer er licht op valt of bij zien op zeer korte afstand vernauwt de pupil zich automatisch, in het donker wordt ze wijder. De lens is een doorzichtige kern, die omsloten is door een elastisch kapsel. Door middel van speciale spieren kan zij meer gekromd worden en zo ingesteld worden voor het zien op korte afstand.Het netvlies is in zekere zin een vooruitgeschoven deel van de hersenen, dat als een film of plaat een opname kan maken in de camera van het oog. De lichtstralen moeten eerst door de binnenste lagen van het netvlies doordringen voor ze bij de staafjes en kegeltjes komen.

De kegeltjes maken het mogelijk overdag te zien en kleuren waar te nemen, de staafjes maken het mogelijk bij verminderde belichting te zien. De centraal gelegen delen van het netvlies zijn bijzonder gevoelig en kunnen veel opnemen, de meer naar de kant liggende delen zijn slechts grof gebouwd en dan ook alleen bruikbaar voor grove waarnemingen en het waarnemen van bewegingen. Waar de top van de gezichtszenuw (papil) het oog binnenkomt, ontbreekt het netvlies over een oppervlakte ter grootte van de doorsnede van de papil. Hier is een zogenaamde blinde vlek. De gezichtszenuw brengt de gezichtsindrukken over naar de hersenbasis. Hier kruisen de gezichtszenuwen elkaar. De organen die het oog helpen en beschermen zijn de traanklieren, die de vorm en grootte hebben van een amandel en boven in de buitenste ooghoeken liggen, de oogleden met het bindvlies en de oogspieren.

De tranen worden voortdurend over het oogoppervlak verdeeld en houden dit vochtig en glad. Het overschot verzamelt zich in de binnenste ooghoek; in onder- en bovenooglid bevinden zich traanbuisjes, die het teveel aan traanvloeistof overbrengen naar de traanzak, die in een holte van het traanbeen ligt, aan de kant van de neusrug naast de oogspleet. Vandaar wordt de vloeistof door een kanaal afgevoerd naar de neusholte.

De oogleden sluiten de oogappel naar buiten toe af. Aan de buitenzijde bestaan zij uit lichaamshuid, aan de binnenzijde zijn ze bekleed met bindvlies. Langs de buitenrand van de oogleden staan de wimpers, twee tot drie rijen dik. Onder de huid liggen de spieren van het ooglid, daaronder het lidkraakbeen, eigenlijk een bindweefselplaat. Hierin liggen de talgklieren. Ontsteking van de wimpertalgklieren leidt tot „strontje” op het oog, ontsteking van de ooglidtalgklieren tot gerstekorrel. Het bindvlies bekleedt de oogleden aan de binnenzijde en ook het voorste gedeelte van het oogwit, voor zover dit zichtbaar is.

De oogspieren die het oog bewegen bestaan uit 4 rechte en 2 schuine spieren aan weerszijden en deze bewegen de oogappel naar alle kanten. Via de hersenen zijn ze gekoppeld aan de spieren van het andere oog en wel zodanig dat het alleen mogelijk is een beweging met beide ogen tegelijk te maken. Wanneer zich in deze koppeling een stoornis voordoet, door verlamming van een van de spieren, dan is het resultaat dat men dubbel ziet.