Oog
o. (ogen), 1. elk der uitwendig zichtbare organen van het gezicht: alle gewervelde dieren hebben twee ogen ; de insecten hebben samengestelde ogen; — in ’t bijz. die van de mens, hetzij de oogbol in zijn geheel, hetzij meer bepaald dat gedeelte er van dat van buiten zichtbaar is : goede, slechte, zwakke ogen ; het rechter, het linker oo...