Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Gepubliceerd op 24-04-2019

2019-04-24

Democratie

betekenis & definitie

Democratie - (Grieksch dèmos = volk, kratein = regeeren).

Begrip.

Democratie beteekent in de politiek volksregeering. Het woord wordt door Aristoteles in zijn staatsleer in ongunstigen zin gebruikt als aanduidende (in tegenstelling tot ➝ aristocratie) regeering van de menigte, van de bezitslooze en de ongequalificeerde massa. Verondersteld wordt dan, dat een dgl. bestuur steeds door hebzucht en egoïsme zal geleid worden. Overigens omsloot de „demos”, het volk in de Grieksche volksstaten, geenszins de groote massa der onvrijen, slaven en lijfeigenen (waartoe o.a. de geheele landbouwende bevolking te rekenen viel), daar dezen allen elk burgerrecht ontbeerden. Strekte dus de „demos” zich slechts over een deel van het eigenlijke volk uit, naar boven werd hij begrensd door de verschillende groepen en klassen van beter gesitueerden en beter ontwikkelden. Het was derhalve enkel een deel van het volksgeheel, dat in Aristoteles’ democratie gedacht werd het bestuur uit te oefenen.

De moderne democratie daarentegen wil de bestuursmacht in beginsel toekennen aan het geheele volk in al zijn geledingen, daar zij berust op de gedachte der politieke gelijkheid van allen. Als zoodanig is het een stelsel aangaande de constitutie en uitoefening der publieke macht, dat, zooals de meeste staatkundige stelsels, in zich zelf goed noch kwaad behoeft te zijn. Ook is het zeer verklaarbaar, dat, na het absolutisme en de misbruiken van het „ancien régime”, een onstuimige volksbeweging naar nieuwe staatsvormen zocht met meer invloed van alle geïnteresseerde klassen en beter waarborgen tegen machtsmisbruik van een niet aan het volk verantwoordelijk bestuur. Maar niettemin heeft de moderne democratie bij haar ontstaan reeds een revolutionnairen inslag gekregen, daar zij wortelde in de ideeën van rationalisme en individualisme. Deze denkbeelden toch moeten noodzakelijk uitloopen in den eisch der ➝ volkssoevereiniteit, waarbij het volk zijn eigen bestuurder is en de gezagdragers enkel zijn aangestelde en gecontroleerde ambtenaren.

Wanneer de mensch als onbeperkt vrij en zich-zelf-genoegzaam wezen geboren wordt, bindt ook het staatsgezag hem slechts op grond van eigen goedvinden en blijft hij van de geheele gemeenschapsordening uitgangspunt, centrum en doel. Een „volonté générale” krijgt de hoogste ook absolute zeggensmacht, maar deze wordt toch niet geacht in tegenspraak te zijn met de individueele vrijheid, omdat in beginsel allen daartoe evenveel bijdragen. Wanneer dus maar volledige gelijkheid van politieke rechten voor alle eenlingen heerscht, is het volk zijn eigen meester en bestaat er absolute democratie. In naam van deze democratie moest nu naast algemeen kiesrecht de vernietiging van elk sociaal gezag (in corporaties en andere formaties der vrije maatschappij) geëischt worden. Deze moderne democratie was dus tegen het organisch karakter der maatschappij gericht; zij werkte nivelleerend en desorganiseerend; haar ideaal was een eenvormige massa van volkomen gelijkberechtigde individuen, door een min of meer absolutistisch (door allen immers gekozen) wetgevend lichaam bestuurd, dat over geheel de linie der politieke, economische, sociale en cultureele belangen bevoegd zou zijn.

Dat de idee der democratie niettemin tot voor korten tijd zoozeer algemeen aanvaard was, dat zonder dien naam geen politieke partij, noch welk politiek program ook kon gedacht worden, vond zijn verklaring hierin, dat het woord nog andere beteekenissen kan dekken dan de juist uiteengezette, revolutionnaire gedachte. Met name werd dan bedoeld, dat een regeering ingesteld behoort te zijn op het welzijn van het geheele volk, ook en vooral op dat der minstbedeelde en dus der zwakste klassen, en dat een gezonde volksinvloed op het bestuur een waarborg dient te zijn voor een dgl. breede behartiging van aller belangen. Ook dit denkbeeld behoort tot het begrip der moderne democratie en juist daaraan heeft de democratie het te danken gehad, dat zij tot een ware volksbeweging geworden is. Het is hierom, dat verschillende „democratische” vernieuwingen van het politiek bestuur, zooals die bij de Fransche Revolutie veroverd zijn, zegenrijk hebben gewerkt: constitutioneel en parlementair stelsel, ministerieele verantwoordelijkheid, scheiding der bevoegdheden en machten enz.

Andere eischen der democratie, als algemeen kiesrecht, vrouwenkiesrecht e.d., zijn in hun beteekenis vaak eenzijdig overschat geworden, al kunnen zij in bepaalde omstandigheden nuttig zijn. Zooals bij alle concrete politieke instellingen is de gewenschtheid ervan niet aprioristisch vast te leggen noch ook te ontkennen. Het streven bijv. naar afschaffing van een tweekamerstelsel kan in bepaalde eischen van den tijd zijn rechtvaardiging vinden; het is echter verkeerd daarvan een beginselvraag te maken; dit zou (en hetzelfde geldt van andere „democratische” eischen) alleen behoeven te volgen uit de grondstellingen der bovengenoemde individualistische, revolutionnaire democratie en uit de leer der volkssouvereiniteit.

Krachtens deze valsche opvatting der d. wordt al verder de in zich zoo gezonde ontwikkeling der democratische bestuursvormen verworpen, waarbij parlement of raad hun bevoegdheden ten deele delegeeren aan al of niet uit hun midden gevormde commissies of organen, die voor een bepaalde taak beter toegerust schijnen. Zoo het Amer. systeem van „Commission government” en ook de nieuwe bepaling van het 2e lid van art. 144 der Ned. grondwet. Hier ligt juist een gezonde ontwikkeling, omdat de gewenschte invloed van het volk niet bij voorkeur gezocht moet worden in een eenzijdige centralisatie aller bevoegdheden in het politieke parlement, maar veeleer in een stelsel van decentralisatie, in welken gedachtengang ook het toekennen van publiekrechtelijke bevoegdheden aan corporaties en andere organen tot de wenschen eener ware democratie moet worden gerekend. Zoowel de groei der organische gedachte als anderzijds de tendenz, het parlement naar zijn juiste plaats (het vaststellen van groote lijnen en controle) terug te dringen, wijzen tegenwoordig deze richting uit.

De democratische staatsvormen kunnen overigens onderling zeer verschillend zijn. Een zgn. directe democratie met een algemeene volksvergadering, die de wetten stemt en de overheden verkiest, is ten slotte alleen op een zeer beperkt territoir denkbaar; zij bestaat, en gedeeltelijk dan nog maar, heden ten dage alleen in enkele Zwitsersche kantons. Verband daarmede houdt het instituut van het referendum en (eenigermate) de presidentskeuze door het volk zelf. Bij de indirecte d. bezit een officieele vertegenwoordiging des volks, meestal in parlementen, de wetgevende bevoegdheid.

Er kunnen zich hierbij allerlei variaties voordoen, naargelang het zwaartepunt der wetgevende en der bestuursmacht meer bij het parlement dan wel bij het staatshoofd of bij de regeering berust. Er is hemelsbreed verschil tusschen de democratie van de Vereenigde Staten, van Frankrijk, van den Zwitserschen Bond, van Polen enz. Er zijn ook rijken met erfelijk koningschap, die veel meer in waarachtig dem. zin bestuurd worden dan sommige republieken met sterk overwegende macht van een president en ministerraad, die alleen aan hem verantwoordelijk is. Soms loopt de macht van de volksvertegenwoordiging uit op de almacht van een bepaalde partij, die onder de leuze van democratie slechts haar eigen bedoelingen nastreeft, of op het despotisme van enkele leiders, die zelfs aan een geheel stelsel van „raden van arbeiders en boeren” eenzijdig hun wil opleggen.

Tegen de excessen eener verkeerd begrepen dan wel verkeerd uitgeoefende democratie treedt hedentendage een felle reactie op. Men heeft hierbij voornamelijk de individualistische democratie op het oog, die een kind is van het liberalisme en hartstochtelijk wordt aangehangen door het socialisme; maar door gebrek aan onderscheid richt men zich dan, en wel in beginsel, tegen alle partijvorming en alle parlementarisme, zooals de geschiedenis van het fascisme aantoont.

De d. heeft haar eigen beteekenis op sociaal terrein. Daarop wijst de naam van sociaal-democratie, die allereerst streefde naar een nieuwe sociaal-economische ordening, en wel zoo, dat het bezit der productiemiddelen en hiermede de zeggensmacht over het geheele economische leven zouden komen ófwel aan de gemeenschap, ófwel aan raden en syndicaten. Daartegenover streeft een „Christelijke democratie” naar een verbetering der maatschappelijke en economische verhoudingen op den grondslag der Christelijke leer, zooals Leo XIII zegt in zijn Encycliek „Graves de communi re” (1901): „Daarentegen moet de Christelijke democratie, juist omdat zij Christelijk heet, als op haar fundament steunen op de beginselen, die door het goddelijk geloof zijn neergelegd en moet zij voor de belangen der minderen zóó zorgdragen, dat zij tevens de zielen, die voor het eeuwige bestemd zijn, veredelt. Derhalve mag niets haar zoo heilig zijn als de rechtvaardigheid: zij late het recht om te verkrijgen en te bezitten ongerept; zij beware het verschil van standen, dat voorzeker in een welgeordende maatschappij behoort; in één woord, zij erkenne voor de menschelijke samenleving geen anderen vorm en geen andere inrichting dan God zelf heeft ingesteld”. Dezelfde paus geeft in dezelfde Encycliek eenige verdere richtlijnen aan voor de Christelijke democratie. Deze naam mag niet worden overgebracht op politiek terrein. „Ofschoon het woord democratie naar zijn beteekenis zelf op de eerste plaats „volksregeering” beduidt, toch moet het tegenwoordig zóó verstaan worden, dat het met verwijdering van alle staatkundig begrip niets anders te verstaan geve, dan een voor de volksmassa heilzame Christelijke actie”.

Zij kan dus op zich zelf met alle bestuursvormen gepaard gaan, d.w.z. zij vergt niet krachtens haar beginsel (zooals de sociaal-democratie) een bepaalde inrichting van het staatsbestuur. Al kan men natuurlijk tot betere verwerkelijking van haar streven in concrete omstandigheden bepaalde politieke eischen stellen, de sociale actie is echter als zoodanig van deze politieke zijde der vraag onderscheiden, omdat er tusschen beide geen wezenlijk verband bestaat. Verder mag de Christelijke democratie geen klassepolitiek zijn; „zij zal de zorg voor de lagere klassen niet zoo uitoefenen, dat zij de hoogere schijnt te verwaarloozen, daar ook deze niet minder noodig zijn voor het behoud en de ontwikkeling der maatschappij”. Anders te handelen zou in strijd zijn met de Christelijke liefde, „want deze wil alle menschen van iederen stand omvatten, daar allen behooren tot het gezin van eenzelfden Vader”.

Dit vooropgezet, leert de paus, dat dit streven naar lotsverbetering en opheffing van het volk geheel beantwoordt aan den geest der Kerk en aan haar eeuwenoud voorbeeld. Allen moeten daaraan eendrachtig medewerken en „vooral van diegenen moet de welwillende medewerking worden ingeroepen, die door hun positie, vermogen en beschaving naar geest en gemoed wat meer aanzien genieten in de maatschappij. Dezen moeten wel begrijpen, dat het hun niet vrijstaat, het lot der lagere klassen te behartigen ofwel te veronachtzamen, maar dat zij daartoe strikt verplicht en gehouden zijn. Want ieder leeft in de maatschappij niet enkel voor zijn eigene, maar ook voor de algemeene belangen”.

De aldus gekenschetste Christelijke democratie, ook wel Christelijk-sociale of Katholiek-sociale actie genaamd, heeft tot een breed ontplooide beweging op haast alle terreinen van maatschappelijk leven geleid. Stands- en vakorganisaties en instituten voor ontwikkeling zijn alom en in allerlei vormen verrezen; een rijk geschakeerde sociale wetgeving is mede aan haar streven te danken. De actie wijzigt zich overeenkomstig de veranderingen in de tijdsomstandigheden; heden streeft zij bij voorkeur naar ➝ bedrijfsorganisatie, naar ➝ medezeggenschap en naar een omvorming der maatschappij op corporatieven grondslag. ➝ Belgische politieke partijen (sub III); Belgische Volksbond; Corporatieve staat.

Weve.

Geschiedenis.

Volksinvloed op de regeering en democratische regeeringsvorm komen bij verschillende volkeren en op verschillende tijden in de geschiedenis voor. Een ver ontwikkelden vorm treft men aan eerst in Athene, en in navolging daarvan in vele der overige stadsstaten van het Oude Griekenland. Toch was een niet gering gedeelte der bevolking (onvrijen, heloten) van allen invloed op het bestuur uitgesloten. De geschiedenis der Romeinen is, na den val van het koningschap, voor een groot deel de geschiedenis van het streven der politiek onmondige plebejers naar deelgenootschap in het bestuur, dat aanvankelijk in handen der bevoorrechte patriciërs was. Ook hier was echter het getal der onvrijen tegenover dat der volberechtigde burgers zeer groot. En reeds bij het begin van het keizerrijk is de volksinvloed meer schijn dan werkelijkheid; feitelijk treedt daarvoor het absolutisme der Caesars in de plaats, dat door Diocletianus formeel wordt gevestigd.

Bij de Germanen had de vergadering der vrije mannen, met uitsluiting alweer van veel on- en half-vrijen, rechtsprekende en wetgevende macht onder leiding van den gekozen koning. In de middeleeuwen was de feodale staatsinrichting aristocratisch, doch met de opkomst der steden en de omvorming der maatschappij steeg de invloed der democratie aanzienlijk, hoewel zij lang niet overal tot de macht kwam (Venetië bijv. bleef een streng aristocratische stadsstaat). Waar de ontwikkeling zich wel, al is het dan niet ononderbroken, heeft kunnen doorzetten, zooals in Zwitserland en Engeland, ontstonden de klassieke landen der burgervrijheid. Doch in de meeste landen van Europa wordt na de 13e eeuw door verhoogd nationalisme, herleving der oud-Romeinsche rechtsidees en andere oorzaken, de koningsmacht aanzienlijk versterkt, die in den nieuwen tijd bijna overal blijft aangroeien tot volstrekt vorsten-absolutisme. De reactie hierop bracht de Fransche Revolutie met haar individualistische democratie (zie boven).

In de eerste helft der 19e eeuw zijn herhaalde woelingen en revoluties (1820 Italië en Spanje, 1830 Frankrijk en België, 1848 geheel Midden- en West-Europa) de symptomen van den strijd tusschen absolutisme en democratie. In West-Europa zegeviert de laatste overal, ofschoon in de verschillende landen in sterk genuanceerde vormen en constituties (zie deze beschreven onder de afzonderlijke landen). Op het oogenblik maakt de democratie een zware crisis door; de individualistische democratie heeft krachtens het goede, dat er in het principe zelf steekt, zeker veel heilvols gebracht, maar juist omdat ze individualistisch was ook zoo veel onheil gesticht, dat dictatuur, bolsjewisme, fascisme e.d. thans veel aantrekkingskracht uitoefenen. Slechts wanneer de politieke democratie van een corporatief geordende maatschappij uitgaat, kan zij op den duur bevredigen en dan ook (tegenover de gevaren van dictatuur, enz.) voor den besten regeeringsvorm in den tegenwoordigen ontwikkelingsstand der cultuurvolken gehouden worden.

Van Engeland uit zijn de democratische denkbeelden naar Amerika overgebracht. ➝ Democratische partij in Amerika.

Gorris.