tabak betekenis & definitie

(ta'bak) m. (-ken: -je) [Sp. < taal van Haïti]

1. Eig. gedroogde, voor roken enz. geschikte bladeren van een plant met een kroon van buisvormige, lichtrode bloemen: roken, pruimen, snuiven, kauwen; sigaren, sigaretten maken van -; kerf-, krul-, pruim-, rook-, snuiftabak; kerven, sausen, snijden, spinnen, strippen; een rol, rolleken, rolletjes -; in rollen; inlandse, buitenlandse -; dat is andere (dan kanaster), dat is iets geheel anders. ➝ pijp.
2. Metn. die plant (Nicotina tabacum).

Enc. Tabak of een ander rookkruid moet de Chinezen ten tijde van Confucius (o551 v.K.) reeds bekend geweest zijn. Naar Europa werd zij medegebracht door COLUMBUS die, in tropisch Amerika, de inlanders bezig vond hun tabacos d. i. tabak in maïsblad gerold (zoals de Javanen met hun strootjes doen) te roken. Het is ook mogelijk dat de tabak zijn naam ontleent aan het eiland Tobago of aan de Mexicaanse provincie Tabasco. Omstreeks 1560 zond de Franse gezant bij het Portugese hof, J. NICOT, tabaksbladeren in poedervorm naar Parijs, aan Catharina van Medici, die haar zieke zoon ermee liet behandelen.

Vandaar de wetenschappelijke naam Nicotina. In 1586 vermeldt men het roken van tabak in Engeland. Van hieruit kwam het naar de Nederlanden, waar 1590 de Leidse studenten al rookten. Amsterdam en Rotterdam waren weldra tabaksmarkten, waar veel handel werd gedreven. Nederlandse en Engelse schepen brachten de tabak naar Rusland. Tot het midden der XIXde eeuw schijnt tabak meer voor het snuiven dan voor het roken te zijn gebruikt en bij de diplomaten der XVIIIde en XIXde eeuw was het snuiven zeer in de mode.

Sedert het invoeren van sigaren en sigaretten (1863) heeft het roken de overhand gekregen en is het snuiven meer en meer achteruitgegaan. De eerste bladeren onder aan de tabaksstengel heten zandgoed, de volgende aardgoed, de bovenste bestgoed. Na de oogst worden de bladeren gedroogd, aan een gisting onderworpen, gekorven (rook-, pruimtabak) of gemalen (snuiftabak). Amsterdam is de belangrijkste markt ter wereld voor tabak. Het werkzame bestanddeel van de tabak is de nikotine, een gift, dat bij matig gebruik niet schaadt, maar bij sterk roken vergiftiging kan veroorzaken.