Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

Gepubliceerd op 27-09-2020

2020-09-27

leggen

betekenis & definitie

('leggən) (legde, heeft gelegd) [Fakt. liggen]

1. doen liggen : iets op de tafel –; een zieke te bed, een hond aan een ketting –; ze is van d’r zelve, dan moet je ze –; iemand (bij het worstelen op de grond) –. →: acta, as, botje, dag, duit, gewicht, goudschaal, hand, hoofd, kaart, kap, knie, laag, last, lip, lood, luur, schuld, steen, stro, weg, woord, zweep.
2. voortbrengen : de kippen – eieren.
3. aanbrengen : elektrische geleidingen –; rood, wit (blanketsel) –; een pleister op een wond –; hoepels om een vat –.
4. plaatsen, zetten : (in) bezetting, garnizoen –; krijgsvolk in een stad –. →: pers.
5. doen ontstaan, maken : de grondslagen tot, van, voor iets –; een dijk, sluis, vloer, weg –. →: dam.
6. maken, doen zijn wat een bepalend woord zegt : een moeras droog, een hond vast –.
7. z i c h –, gaan liggen : zich te bed, te slapen –.