Wat is de betekenis van leggen?

2024-02-25
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2024)

leggen

1) (1972) (Barg.) de kaarten (laten) leggen; de toekomst voorspellen. • De blonde vrouw in Apache-Alie geeft me vijf gulden inplaats van een rijksdaalder. De andere vrouwen laten zich ook ‘leggen’. (Hermine Heijermans: Nog meer minnaars en vele lichte vrouwen. 1972) 2) (19e eeuw) (Vlaanderen, inf.) betalen, afdokken. ...

2024-02-25
Nederlandstalige WikiWoordenboek

Wiktionary (2019)

leggen

leggen - Werkwoord 1. (ov) doen liggen Hij legde het tijdschrift op de tafel. Woordherkomst (causatief) van liggen.

2024-02-25
Historische collectie Nederland

Rijksdienst voor het cultureel erfgoed (2019)

leggen

Terrein dat is ingericht om valken te vangen.

2024-02-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

leggen

leggen - regelmatig werkwoord uitspraak: leg-gen 1. zó plaatsen dat het plat ligt ♢ ik leg het boek op tafel Algemene uitdrukkingen: 1. de kip legt een ei [maakt een ei] ...

Wil je toegang tot alle 14 resultaten?

Ja, ik word vriend van Ensie!
2024-02-25
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

leggen

Bijspelen, in het bijzonder van een hoge kaart.

2024-02-25
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Leggen

v., lizze, lei, lein; een kaartje —, in bledtsje omkeare; eieren(van bijen), saeije.

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Van Dale Uitgevers (1950)

Leggen

(legde of lei(de), heeft gelegd, of geleid), I. overg. 1. doen liggen: de arm om iemands hals leggen; de hand leggen op iemand of iets; — de hand op het hart leggen; — zijn hoofd in de schoot leggen, meestal fig., zich onderwerpen; iemand iets in de mond, leggen, fig. iemand iets doen zeggen, en: het voorstellen alsof i...

2024-02-25
Spaans woordenboek (SP-NL)

Dr. C.F.A. van Dam (1948)

Leggen

~ una crisis, een crisis doormaken; gebeuren, tussenbeide komen; met iemand ruzie krijgen, atrayente, aantrekkelijk, bekoorlijk, atreguar, y ~se, een wapenstilstand sluiten; sin ~se, onverpoosd, zonder ophouden.

2024-02-25
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

leggen

legde (lei of leide), h. gelegd (geleid) (factitief van liggen: doen liggen): een kind te bed leggen, een hond aan de ketting leggen; een pleister op de wonde leggen; hoepels om een vat leggen; bij uitbr. de vogels leggen eieren; bezetting in een stad leggen; iem. leggen, (worstelen) op de grond doen liggen, zodat hij met beide schouders de grond a...

2024-02-25
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

leggen

('leggən) (legde, heeft gelegd) [Fakt. liggen] 1. doen liggen : iets op de tafel –; een zieke te bed, een hond aan een ketting –; ze is van d’r zelve, dan moet je ze –; iemand (bij het worstelen op de grond) –. →: acta, as, botje, dag, duit, gewicht, goudschaal, hand, hoofd, kaart, kap, knie, laag, last, lip,...

2024-02-25
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

leggen

(legde, heeft gelegd), 1. doen liggen: de arm om iemands hals leggen; de hand leggen op iemand of iets; de hand op het hart leggen; zijn hoofd in de schoot meestal fig. zich onderwerpen; iemand iets in de mond leggen, fig. iemand iets doen zeggen, en: het voorstellen alsof iemand iets zegt; iets voor iemands voeten leggen -; daar is hij niet voor i...

2024-02-25
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Leggen

LEGGEN, (legde of leide, heeft gelegd of geleid), doen liggen: iem. leggen, bij het worstelen hem op den grond doen liggen zoo dat hij met de beide schouders den grond aanraakt; — neerleggen, plaatsen: een boek op tafel leggen; — een kind te bed leggen; daar is hij niet voor in de wieg gelegd, daartoe is hij niet voorbestemd; —...

2024-02-25
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Leggen

Leggen, bw. gel. en ong. (ik legde of leide, heb gelegd of geleid), doen liggen, plaatsen, neêrleggen; uitbroeden (eijeren); een kind te bed -; zich -, zich naar bed begeven; de wind legt zich, de wind bedaart, (ook) wordt gunstig; strikken - (spannen); bezetting in eene stad -, krijgsvolk in eene stad legeren; (fig.) de hand aan iets -, iets...

2024-02-25
Zeemans woordenboek

Jacob van Lennep (1865)

Leggen

1. b.w. - De kiel leggen (haar op blokken stellen). Het geschut in de rolpaarden leggen (het op zijn plaats brengen). Het Land leggen (zich verwijderen van het Land, zoodat het in ’t water schijnt te verzinken). 2. o.w. of, naar de latere spelling.