Wat is de betekenis van leggen?

2022
2022-09-28
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

leggen

(1972) (Barg.) de kaarten (laten) leggen; de toekomst voorspellen. • De blonde vrouw in Apache-Alie geeft me vijf gulden inplaats van een rijksdaalder. De andere vrouwen laten zich ook ‘leggen’. (Hermine Heijermans: Nog meer minnaars en vele lichte vrouwen. 1972)

Lees verder
2019
2022-09-28
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

leggen

leggen - Werkwoord 1. (ov) doen liggen Hij legde het tijdschrift op de tafel. Woordherkomst (causatief) van liggen.

Lees verder
2018
2022-09-28
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

leggen

leggen - regelmatig werkwoord uitspraak: leg-gen 1. zó plaatsen dat het plat ligt ♢ ik leg het boek op tafel Algemene uitdrukkingen: 1. de kip legt een ei [maakt een ei] ...

Lees verder
1998
2022-09-28
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

leggen

Bijspelen, in het bijzonder van een hoge kaart.

1973
2022-09-28
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

leggen

(legde, heeft gelegd), 1. doen liggen: de arm om iemands hals leggen; de hand leggen op iemand of iets; de hand op het hart leggen; zijn hoofd in de schoot meestal fig. zich onderwerpen; iemand iets in de mond leggen, fig. iemand iets doen zeggen, en: het voorstellen alsof iemand iets zegt; iets voor iemands voeten leggen -; daar is hij niet voor i...

Lees verder
1952
2022-09-28
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Leggen

v., lizze, lei, lein; een kaartje —, in bledtsje omkeare; eieren(van bijen), saeije.

1950
2022-09-28
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Leggen

(legde of lei(de), heeft gelegd, of geleid), I. overg. 1. doen liggen: de arm om iemands hals leggen; de hand leggen op iemand of iets; — de hand op het hart leggen; — zijn hoofd in de schoot leggen, meestal fig., zich onderwerpen; iemand iets in de mond, leggen, fig. iemand iets doen zeggen, en: het voorstellen alsof i...

Lees verder
1948
2022-09-28
Spaans woordenboek (SP-NL) 1948

Dr. C.F.A. van Dam

Leggen

~ una crisis, een crisis doormaken; gebeuren, tussenbeide komen; met iemand ruzie krijgen, atrayente, aantrekkelijk, bekoorlijk, atreguar, y ~se, een wapenstilstand sluiten; sin ~se, onverpoosd, zonder ophouden.

1937
2022-09-28
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

leggen

legde (lei of leide), h. gelegd (geleid) (factitief van liggen: doen liggen): een kind te bed leggen, een hond aan de ketting leggen; een pleister op de wonde leggen; hoepels om een vat leggen; bij uitbr. de vogels leggen eieren; bezetting in een stad leggen; iem. leggen, (worstelen) op de grond doen liggen, zodat hij met beide schouders de grond a...

Lees verder
1930
2022-09-28
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

leggen

('leggən) (legde, heeft gelegd) [Fakt. liggen] 1. doen liggen : iets op de tafel –; een zieke te bed, een hond aan een ketting –; ze is van d’r zelve, dan moet je ze –; iemand (bij het worstelen op de grond) –. →: acta, as, botje, dag, duit, gewicht, goudschaal, hand, hoofd, kaart, kap, knie, laag, last, lip,...

Lees verder
1900
2022-09-28
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

leggen

Terrein dat is ingericht om valken te vangen.

1898
2022-09-28
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Leggen

LEGGEN, (legde of leide, heeft gelegd of geleid), doen liggen: iem. leggen, bij het worstelen hem op den grond doen liggen zoo dat hij met de beide schouders den grond aanraakt; — neerleggen, plaatsen: een boek op tafel leggen; — een kind te bed leggen; daar is hij niet voor in de wieg gelegd, daartoe is hij niet voorbestemd; —...

Lees verder
1864
2022-09-28
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Leggen

Leggen, bw. gel. en ong. (ik legde of leide, heb gelegd of geleid), doen liggen, plaatsen, neêrleggen; uitbroeden (eijeren); een kind te bed -; zich -, zich naar bed begeven; de wind legt zich, de wind bedaart, (ook) wordt gunstig; strikken - (spannen); bezetting in eene stad -, krijgsvolk in eene stad legeren; (fig.) de hand aan iets -, iets...

Lees verder
1856
2022-09-28
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Leggen

1. b.w. - De kiel leggen (haar op blokken stellen). Het geschut in de rolpaarden leggen (het op zijn plaats brengen). Het Land leggen (zich verwijderen van het Land, zoodat het in ’t water schijnt te verzinken). 2. o.w. of, naar de latere spelling.

Lees verder