Leggen
(legde of lei(de), heeft gelegd, of geleid), I. overg. 1. doen liggen: de arm om iemands hals leggen; de hand leggen op iemand of iets; — de hand op het hart leggen; — zijn hoofd in de schoot leggen, meestal fig., zich onderwerpen; iemand iets in de mond, leggen, fig. iemand iets doen zeggen, en: het voorstellen alsof i...