Funerair Lexicon

Encyclopedisch woordenboek over de dood (2002)

Gepubliceerd op 31-05-2017

2017-05-31

Kaarslicht

betekenis & definitie

De rol van het kaarslicht in de dodencultuur is onmetelijk. Tientallen geschriften spreken hierover. Het gebruik van kaarsen binnenshuis is vele malen groter geweest dan op kerkhoven. Overal ter wereld en in alle tijden waar duivels, demonen of boze geesten (drie namen voor het kwade) moeten worden geweerd of verdreven, spelen vuur en licht een grote rol.

Eenvoudig gezegd is het gebruik van kaarslicht te verklaren door het feit dat men zich veiliger voelde tegen onbekende en gevreesde machten. Wanneer een stervende een kaars in de hand krijgt dient dit om hem te beschermen tegen de duivel en wellicht tegen de dood zelf. In de tussen 1183 en 1187 geschreven Mirakelboeken van de heilige Anno, bisschop van Keulen, wordt veel over het gebruik van kaarsen geschreven. In het derde boek staat onder meer: 'In diezelfde tijd lag een knaap op sterven. Hij lag uitgestrekt op stro, hield in zijn hand een kaars en wachtte op de dood'. Een voorschrift uit dezelfde tijd bepaalde dat, wanneer het stervensuur naderde de gehele ziekenkamer hel verlicht moest worden om de duivelse machten af te schrikken.' Het sterfbed, één der taferelen van de Zeven Hoofdzonden van Hieronymus BoschHet branden van kaarsen bij een uitvaart is vaak een zaak van grote overdaad geweest, zo zelfs dat de stedelijke overheid hier streng tegen ging optreden. In Zutphen bijvoorbeeld mochten bij een dode niet meer dan vier kaarsen branden en elke kaars mocht niet meer dan drie pond wegen. Het aantal en de zwaarte van kaarsen bij een uitvaart was onder andere afhankelijk van de positie (niet de rijkdom) die de dode in de feodale maatschappij had ingenomen. In praktisch alle middeleeuwse testamenten staan bepalingen vermeld over het aantal te branden kaarsen en de schenkingen van kaarsen en/of was aan de kerk. Cornelis van Alkemade vermeldt, dat bij de uitvaartdienst van Philips van Bourgondië meer dan veertienhonderd kaarsen brandden, zodat men gaten in het verwulfsel (dak) van de kerk moest boren om de hitte te doen afvoeren en zo brand te voorkomen. Tijdens de uitvaartdienst die Karel V in 1516 te Brussel voor zijn grootvader liet houden, brandden er in de kapel honderd wastoortsen en zeventienhonderd kaarsen, 'tezamen wegende 1294 pont'. zie: kerkhoflantaarn, dodenlantaarn