Frans woordenboek (FR-NL) 1950

Dr. F.P.H. Prick van Wely

Gepubliceerd op 13-07-2022

Vin

betekenis & definitie

wijn; vin blanc, witte wijn; vin doux, most; les grands vins, de fijnste wijnsoorten; vin nouveau, jonge wijn: petit vin, ordinair wijntje; vin du cru, landwijn; vin d'honneur, erewijn; vin du pays, landwijn; entre deux vins, lichtelijk aangeschoten; avoir le vin gai (mauvais, triste), een vrolijke (kwade, zwaarmoedige) dronk over zich hebben; à bon vin point d'enseigne, goede wijn behoeft geen krans; le vin est tiré, il faut le boire, wie in ’t schuitje zit, moet meevaren; wie a zegt, moet ook b zeggen.