gabber betekenis & definitie

maat, makker; vent, kerel

In 1752 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, getiteld ‘Tenzaeme gevoegt opstel van de zoogenoemde Bourgondische Dieventaal als meede van de Joodse dieven en Landloopers Tael’. Het komt in deze lijst voor in de vorm cabber en met als betekenis ‘kameraat’. Gabber is via het Jiddische chawwer (‘kameraad, maatje’) ontleend aan het Hebreeuwse chaweer (‘vriend’). Ook aangetroffen als chabber, gabbert, gawwer, gibbert, enzovoort. In literaire bronnen treffen we het vanaf het eind van de 19de eeuw aan. Gabber komt in diverse samenstellingen voor, waaronder bloedgabber en leigabber (zie bij deze woorden). Ouwe gabber en trouwe gabber zijn min of meer vaste verbindingen. Aan het begin van de 20ste eeuw zei men zich bij iemand (a)angabberen voor ‘zich bij iemand aansluiten’. Tegenwoordig zegt men soms iets gaat van gabbertje gab voor ‘iets gaat makkelijk, soepel’ (zoals bij vrienden onder elkaar).

In 1934 schreef Willem van Iependaal, in gedicht getiteld ‘Bewaunus’:

Ik heb me verdeftigd
In snit en in trant.
Ik spreek m’n ‘dik joofel’
Nu uit als ‘charmant!’
M’n gabber van vroeger
Heet: stille vennoot.
Ik heb me verdeftigd...
En ga er aan dood!

• ‘God laat je gezond! ouwe Sam is ’n eerlijke gabberd.’ ¶ Justus van Maurik, Amsterdam bij dag en nacht (1897), p. 72. De schrijver verklaart de betekenis tussen haakjes.
• Nu, na den ongelukkigen afloop, zwegen zij dubbel stroef: alleen de familie, een enkele gawwer en de #niesse was ingelicht. ¶ Benno Stokvis, De moord in de Spuistraat (1926), p. 47. De schrijver verklaart de betekenis in een voetnoot.
• Ome Kees was een ouwe reus, een ouwe gabber, maar geen familie van Bet. Ze kenden elkaar al zo lang dat ze elkaar niet meer weg konden denken. ¶ Tibbe Bosch, Bet van Beeren, Koningin van de Zeedijk (1977), p. 53

bloedgabber / leigabber