Amaryllis betekenis & definitie

tot de narcisfamilie behorende sierplant

De amaryllis is in 1735 door Linnaeus zo genoemd naar Amarullis (van Grieks amarussoo, 'stralen, fonkelen'), een herderin in de 'Idyllen' van de Griekse dichter Theocritus van Syracuse [ca. 300-ca. 250 v.Chr.]. In navolging van Theocritus gebruikten ook Ovidius en Vergilius deze naam in hun zogeheten bucolische poëzie (zie ook mopsje).

Van Theocritus zijn 30 idyllen overgeleverd en 22 epigrammen. Thema van zijn poëzie is bijna altijd de (vaak onbeantwoorde) liefde. Dat geldt ook voor de idylle waarin Amarullis voorkomt. Een herder zingt vergeefs bij de ingang van de grot waarin zijn geliefde woont. 'O mijn mooie Amarullis, waarom laat je je gezichtje niet meer zien, daar vanuit de grot? Waarom roep je me niet meer bij je? Wil je me soms niet meer? Heb ik misschien een platte neus van dichtbij, mijn meisje, een te zware baard? Ik hang mezelf nog op!'

Onder invloed van het Latijn schreef men later amaryllis. In de 17de eeuw werd de naam Amaryllis in de herderlijke poëzie min of meer synoniem met 'geliefde, liefje' - de vrouw tot wie de dichter zich in dat gedicht richtte. Deze verzen van P.C. Hooft werden gepubliceerd in 1610: Amaril, de deeken sacht van de nacht Met sijn blauwe wolckenbuyen, Maect de sterren sluymer blint en de wint soect de Maen int slaep te suyen

'Door de pastorale poëzie van de Renaissance', schrijft Van der Schaar in het Woordenboek van voornamen (1984), 'is de naam [amaryllis] soms in gebruik gekomen als doopnaam.'

M. Houttuyn vermeldt de plantennaam amaryllis - door hem ook wel 'Lelie-narcis' genoemd - in 1780 als eerste in zijn beroemde studie Natuurlyke Historie. Hij geeft als verklaring: 'Wegens de Schoonheid deezer Bloemen, mooglyk, heeft Linn¾us hier den naam van Amaryllis, voorheen in de plantkunde niet gebruikelijk, op toegepast'.

In de bloementeelt wordt amaryllis ten onrechte gebruikt voor het geslacht Hippeastrum.