afnokken betekenis & definitie

ophouden met werken; aftaaien, vertrekken, weggaan

In 1906 voor het eerst aangetroffen, in een literaire tekst. In 1921 werd de zwerver en straatmuzikant Cornelis de Gelder (1856-1922), beter bekend als ‘Had-je-me-maar’, in de gemeenteraad van Amsterdam gekozen. Daardoor waren er in dit gremium ‘eenige volkswoorden’ te horen die normaal alleen op straat klonken, zo meldde het tijdschrift Amstelodamum in 1921. Als voorbeelden noemde het tijdschrift onder meer majem voor ‘water’, jajem voor ‘jenever’ en afnokken. In 1937 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, De Gabbertaal van E.G. van Bolhuis. Van het Engelse to knock off (‘afslaan, ophouden’).

• ‘Afnokke, maat, ’t is vijf uur in de morge, me geve ’t op!’ ¶ M.J. Brusse, Landlooperij (1906), p. 117
• Als hij zo langer dan een etmaal dat beulenwerk onder de balen van vijftig kilo had gedaan, en hij nokte eindelijk af, dan waggelde hij als een kreupele van de kade terug naar de Markensteeg. ¶ Meyer Sluyser, Die en die is er nog (1951), p. 80
• 'Ja, want om half twee nokte ik af, zogezegd.’ ¶ Martien Treffer, Moord op de Walletjes (1965), p. 64