aap 1 betekenis & definitie

buit, geld

In 1731 voor het eerst opgenomen in een Bargoense woordenlijst, achter in het boek Cartouche, of de Gestrafte Booswicht. Het komt hierin voor in de verbinding op den aap loopen, met als betekenis ‘bedelen’. Of aap indertijd ook los voor ‘buit’ of ‘geld’ werd gebruikt is niet duidelijk. Dat is zeker wel het geval in literaire bronnen uit het begin van de 20ste eeuw, in boeken die spelen in het criminele milieu. Ook kennen we aap in deze betekenis in diverse uitdrukkingen, zoals de aap aanspreken voor ‘zijn spaarpenningen gebruiken’ en de aap vlooien voor ‘zijn spaarpenningen tellen, de buit binnenhalen’.

• Twee gingen behoorlijk op wacht staan, de twee anderen peuterden het slot van de voordeur open en klommen naar boven, naar de achterkamer, waar ze wisten, dat de aap zat. ¶ Jan Feith, Op het dievenpad (1907), p. 26
• ‘’s Effe kijken, hè? Wordt er weer geld vermist? Dan komen jullie altijd naar mij toe, hè?’ ‘Ja, juffrouw, we weten, waar de aap bewaard wordt.’ ¶ J.C.L. Sand, Ratten van Amsterdam (1922), p. 33