Aap betekenis & definitie

Aap is In de betekenis 'borrel' in 1873 voor het eerst gehoord, in West- Vlaanderen. Een Vlaams dialect woordenboek geeft als voor- beeldzin: 'Geef mij nog 'nen aap.' De vele dieren namen voor 'borrel' vallen in verschillende groepen uiteen. Aap hoort bij de diernamen die aangeven hoe sommigen zich na het gebruik van sterke drank gaan gedragen.

Dit komt ook tot uiting in de zegswijze hij rijdt op den aap, die in 1727 is opgetekend, met de volgende verklaring:
Dit zegt men van ymand die beschonken is. De reden zal zyn, om dat de dronkenschap, gelyk leeuwen en zwynen, zo ook aapen maakt, die belachelyke kuuren bedryven. Zulke ryden op den aap, gelyk andere het malle paard beryden.
Anders gezegd: sommigen worden van drank een leeuw (dus moedig), anderen een zwijn of aap. In het boek Burgerluidjes (1884) van Justus van Maurik, zegt een Amsterdamse volks- vrouw, die zojuist een dronkelap uit de armen van de dienders heeft gered, nadat zij hem eerst uitvoerig had bespot:
Ik denk altijd bij mijn-eigen: een dronken mensch is eerst precies een aap, dan kun je er pret mee hebben; later wordt hij een varken daar ben je vies van; maar op 't allerlaatst is hij een malle, en dan moet je er medelijden mee hebben. In het Duits betekent Affe behalve 'aap' ook 'dronkenschap, roes', in het Engels werd 'dronken' vroeger wel aangeduid met aped (en de jeneverfles als monkey). De Denen noemen hun bor- rel abekat, letterlijk 'apenkat'. Wij zeggen ook apezat of zo zat als een aap. Een 'jonge borrel met ijs' wordt in Amsterdam wel een koude aap genoemd. Vergelijk baviaan en marteko.