Ensie 1947

Ensie deel 2, 1947, Anton Reichling S.J. en J.S. Witsenelias.

Gepubliceerd op 30-05-2019

2019-05-30

Etrurische kunst

betekenis & definitie

De kunst van Etrurië is, evenals die van andere streken, voor een groot deel bepaald door de in het land aanwezige materialen; de ongeëvenaarde hoogte van de Griekse kunst is mede te danken aan de voortreffelijke marmersoorten die er gevonden werden. De Etr. kenden geen marmer, maar gebruikten, al naar de streek, albast, kalksteen, tuf e.d. voor het beeldhouwwerk minder geschikte steensoorten. Vandaar dat de sculptuur hier niet die plaats heeft ingenomen die zij in Gr. veroverde; ook de bouwkunst had er onder te lijden.

De kunstzin der Etr. uitte zich dus in andere richtingen: tot hoge ontwikkeling kwam de bronsbewerking en de plastiek in brons, en vooral de grote plastiek in terracotta.De Etr. kunst is ook niet homogeen. De onderscheiden landstreken leverden zeer verschillend materiaal op en hierdoor werd de kunst regionaal bepaald. Zo gedifferentieerd als de landstreken van Etr. naar het materiaal van kunstwerken blijken te zijn, zo waren zij het ook in politiek en religieus opzicht; ofschoon wij er nog niet veel van weten, is het toch reeds duidelijk geworden, dat deze differentiatie zich eveneens uitstrekte tot de stijl.

Niettemin vertonen de Etr. kunstwerken ook een duidelijke gemeenschappelijke stijl, die zich zeer goed van de Gr. onderscheidt. Het meest opvallende kenmerk is, dat de Etr. kunst van grote energie vervuld is, die zeer gemakkelijk overgaat in grofheid. De voorstellingen zijn geforceerd levendig, vaak rommelig doordat het rhythme van de Gr. kunst ontbreekt; de menselijke figuren zijn zwaar en massief, doch verraden niet de zin voor structuur die de Gr. in hoge mate bezaten; een zekere hardheid is de Etr. kunst eigen. Een ander fundamenteel verschil met de Gr. kunst is, dat de Etr., wanneer zij zich aan Gr. invloeden onttrekken, een merkbare voorkeur aan de dag leggen voor het individuele, waar de Gr. het ideële zochten; hierbij richt de Etr. vooral zijn aandacht op de gelaatstrekken, waarin alle individualiteit wordt geconcentreerd. Hierin ligt een parallel met de Nederlandse schilderkunst der 15de eeuw; in beide gevallen leidt deze voorkeur tot een hoogstaande portretkunst.

Het volk der Etr. bestond uit twee elementen. In de 8ste eeuw woonden in Toscane de Umbriërs, dragers van de Villanovabeschaving; hun kunst bevindt zich in hetzelfde geometrische stadium als de Gr. van deze tijd. Tegen het eind der 8ste eeuw komt echter, van de westkust van KI. Azië verdreven, de Kleinaziatische stam der Tyrrheners, die zich langzamerhand van het land meester maken, en zich hier als bovenlaag vestigen. Uit de vermenging van deze twee bevolkingsgroepen ontstaan de Etr. Hun kunst is evenzo een versmelting van de Villanovakunst en die der Tyrrheners.

De komst der Tyrrheners valt in een tijd, die in Gr. een overheersend oosterse invloed bracht. Deze invloeden bereikten ook Etr., of liever: de volksverhuizing der Tyrrheners maakte deel uit van deze invloeden. Daarnaast is veel aangevoerd door handelsbetrekkingen met Cyprus en Phoenicië (vanwaar vooral metaalwerk werd ingevoerd) en met Egypte: later in deze periode werken deze invloeden indirect door bemiddeling van de Gr. zeevaarders. Evenals in Gr. zien wij dus ook hier dieren en monsters optreden, lotusornamenten enz., des te gretiger aanvaard waar de beheersers van het land zelf halve oosterlingen waren.

Deze Etr., of liever: de Tyrrheense magnaten, geven thans reeds blijk van grote rijkdom. Hun graven zijn grootscheeps aangelegd (de tomba Regolini-Galassi in Cerveteri is een grafheuvel van 48 m middellijn), en bevatten kostelijk metaalwerk. Vooral ook het goudsmeedwerk munt uit: de techniek van filigraan en granulatie stond in het stamland der Etr. reeds op hoge trap. De as der doden werd doorgaans bijgezet in z.g. canopen, aarden of metalen urnen waarvan het bovendeel menselijke vormen heeft aangenomen; terwijl aan de ledematen nauwelijks aandacht wordt besteed, worden de koppen uitvoeriger behandeld. Aan Gr. import vinden wij Protocorinthische en Corinthische vaasjes.

Griekenlands aandeel in de Etr. kunst, dat tot dusver grotendeels had bestaan in het overbrengen van oosterse invloeden, wordt thans belangrijker. Het is wel zeker, dat zich in deze periode ook Gr. in Etr. hebben gevestigd en er hun bedrijf hebben uitgeoefend.

Aan zulke kolonisten van Ionische afkomst schrijft men wel het maken van de Caeretaanse hydriae toe, vazen van Ionisch karakter, die vooral te Caere zijn gevonden; maar het kunnen ook wel importstukken zijn uit Milete. Ook andere Gr. vazen zijn in Etr. ingevoerd, aanvankelijk uit Ionië, doch sinds het midden der 6de eeuw in stijgende mate uit Athene, en wel in zo grote hoeveelheden, dat Etr. de belangrijkste vindplaats van Attische vazen is geworden. Deze vazen werden ook door de Etr. nagemaakt, doch hun doorgaans onbeholpen tekeningen onderscheiden zich duidelijk van de fijne modellen. Daarnaast blijft in Chiusi de vervaardiging van de inheemse buccherovazen voortgang vinden: zwarte vazen, alleen door ribbels of ook wel opgeplakte reliëfs versierd.

Wanneer sinds ca 600 de tempelbouw voor ons kenbaar wordt, blijkt deze geheel overeen te stemmen met de beschrijving, die Vitruvius er zes eeuwen later van geeft. De tempel stond op een podium, dat van voren van een opgang was voorzien. De vorm blijkt aan de Aegeïsche bouwwijze ontleend te zijn. Het grondvlak was nagenoeg vierkant en bestond uit twee helften; de achterste helft was ingenomen door drie cellae naast elkaar, waarvan de middelste breder was dan de andere (de verhouding bedroeg 3 : 4 : 3), de voorste helft was bezet met twee rijen van vier zuilen, die in het verlengde der vier anten stonden. De zuilen geleken op de Dorische, maar waren niet gecanneleerd en stonden op een basis. Het dak was ongeveer zoals dat van de Gr. tempel. Deze gebouwen vertoonden dus een duidelijk gekenmerkte lengte-as en hadden een zwaar en gedrukt uiterlijk. Zij waren aanvankelijk nog van hout en kleisteen, versierd met terracottaplaten.

Het aldus blijkende gebruik van terracotta vindt zijn hoogtepunt in de grote plastiek. Uit Caere heeft men grote sarcofagen van dit materiaal, op de deksels waarvan — evenals in de Middeleeuwen — de dode ligt, doch ditmaal als ware hij levend aangelegen aan een feestmaal. Beroemd zijn de terracottabeelden uit Veji: De Apollo van Veji dateert uit het eind der 6de eeuw; onlangs is een krijgersfiguur bekend geworden uit het begin der 5de eeuw (thans te New York), die een machtige indruk wekt van de hoogte, die de Etr. op dit gebied bereikt hebben.

Even imponerend zijn de bronzen beelden van deze tijd. Het meesterstuk is de beroemde wolvin van het Capitool, een tijdgenote van de Apollo van Veji (de figuren van Romulus en Remus zijn toevoegsels uit de 15de eeuw); Gr. invloeden zijn hier zeer merkbaar. Bronzen reliëfs versieren de wagen van Monteleone (in het Vaticaan) en talrijk zijn de fraai versierde drievoeten en andere gebruiksvoorwerpen van dit metaal; Ionische invloed is doorgaans duidelijk te bespeuren.

In Midden-Etr. komen veel rotsgraven voor, die met wandschilderingen in fresco zijn versierd; vooral Tarquinia is er bekend om. Voorgesteld zijn maaltijden, processies, lijkspelen; zij getuigen, ondanks hun doel, van een zekere vrolijkheid, ja zelfs van uitgelatenheid. De menselijke figuren zijn zwaar en massief, maar worden later wat sierlijker. Vaak is een directe Attische invloed bespeurbaar en veel dragen deze wandschilderingen bij tot onze kennis van de schilderkunst in Gr.

Deze bloeiperiode der Etr. kunst valt samen met een periode van grote politieke expansie. Tevens zijn de Etr. in deze tijd door levendig handelsverkeer met de Gr. verbonden, wier kunst de Etr. in zo hoge mate beïnvloedde. Tegen het einde der 6de eeuw echter gaat de politieke macht achteruit. Dalende macht, toenemende verarming en afkeer van de Gr. zijn oorzaken van stilstand en achteruitgang, ook op het gebied der kunst.

De politieke en economische achteruitgang van Etr. en het uitblijven van de bevruchtende invloeden van Gr. doen de kunst tot stilstand komen en verstarren.

Hoewel men een enkele keer nog een echo kan vernemen van de Gr. kunst, die in deze periode juist haar hoogtepunt bereikt, houden de Etr. vast aan hun oude schema’s en aan een soort archaïsche stijl. Zo bij de wandschilderingen; de voorstellingen echter vertonen wel een ontwikkeling: zij worden somber en luguber; door het wegvallen van de Gr. invloed komt het inheemse karakter naar boven. Daemonen en figuren uit de onderwereld, zoals de Tuchalcha uit de tomba delf Orco, treden naar voren.

Dezelfde verstarring merken wij op bij de bronzen, die nog zeer spaarzame Gr. invloeden vertonen. Toch dateren sommige geleerden in deze tijd nog de prachtige bronzen chimaera uit Arezzo, die volgens anderen echter van later datum is. In deze periode zijn de gegraveerde spiegels van groot belang; zij vertonen vaak invloed van de Gr. schilderkunst. Op het gebied der vaaskunst is, naarmate men zich verder van de Gr. voorbeelden verwijdert, een achteruitgang waar te nemen, de schilderingen worden hoekig. Ook de Etr. bucchero boet aan kwaliteit in en wordt grof.

Een herstel is merkbaar, wanneer in de 4de eeuw de Gr. invloeden weer beginnen te werken. De tempels, die nu ook wel van steen worden gebouwd, krijgen versiering van gevelbeelden en friezen in terracotta; zij verliezen hun gedruktheid en worden sierlijker.

De grote plastiek in terracotta is nog niet dood en heeft ons een fraai werk nagelaten in de Apollo van de tempel dello Scasato, die levendig aan Alexander de Grote herinnert. De bronzen beelden hebben wel aan kracht verloren, zoals de Mars van Todi bewijst. Ditzelfde geldt van de soms zeer fraaie gegraveerde spiegels en bronzen cylindervormige dozen (cistae); beroemd is de cista Ficoroni, die onder invloed der Gr. schilderkunst staat.

In de wandschildering blijven weliswaar de gruwelijke monsters op de voorgrond staan en de kwaliteit is niet meer zoals zij in de bloeitijd was, maar daartegenover staan meesterlijke schilderingen als die van de tomba François, die meer van waardige rust getuigen dan de meeste andere grafschilderingen. Ook hier blijkt de Etr. voorliefde voor individuele gelaatstrekken.

Na deze opleving, die een gevolg was van hernieuwd contact met de Gr. kunst, vermogen ook de invloeden der Hellenistische kunst het uiteindelijke verval niet te stuiten: de Etr. natie gaat haar oplossing in het Italische volk tegemoet.

De levendige en vaak pathetische sculpturen vermogen ons niet meer te boeien. De meeste komen voor op asurnen, die overigens traditionele voorstellingen steeds maar herhalen. Het belangrijkste zijn de deksels die de dode weergeven. Eenmaal is het een pathetische en treffende voorstelling van een stervende jager, maar doorgaans zijn het rustig aanliggende mannen. Prachtig zijn de realistische portretten, zoals die van de Obesus Etruscus (obesus = dik).

Hoog is ook het niveau van de portretkunst in brons. Hieraan hebben wij meesterwerken als de z.g. Brutus en de Arringatore te danken, werken van een krachtig realisme, dat het hoofdmoment weer in de gelaatstrekken legt. Hiernaast komen beelden voor in een wat zoetelijke Hellenistische stijl, zoals de jongen met de gans (Leiden).

De wandschilderingen zijn slordig en rommelig geworden, de figuren vertonen een overdreven anatomie en een pathos dat herinnert aan de Pergameense kunst. Maar ook hier is het individualisme der koppen treffend.

Met het oplossen van de Etr. natie smelt ook de kunst van Etr. met die van Rome samen; van vele voortbrengselen uit deze periode is het dan ook niet zeker of zij Etr. dan wel Rom. moeten heten.

M. Renard, Initiation a l' Étruscologie, 1941. P.Ducati, Die etruskische, italo-hellenistische und römische Malerei, 1942. P. Ducati, Storia dell' Arte Etrusca, 2 dln., 1926.