Parkinson, ziekte van betekenis & definitie

Hersenziekte waarbij zenuwcellen in een bepaald gebied van de hersenen langzaam afsterven (uitspraak: PAR-kin-son).

Deze ziekte begint meestal na het 50e levensjaar. Mensen gaan trillen en beven door de spieren die vanzelf bewegen. De spieren worden pijnlijk en stijf. Ze gaan langzaam bewegen, een beetje voorover gebogen lopen, met schuifelende pasjes en een starende blik.

Dokters kunnen de ziekte van Parkinson niet genezen. Ze kunnen wel de klachten verminderen. Meestal geven ze medicijnen en soms ook oefeningen. De overleden echtgenoot van koningin Beatrix, Prins Claus, had bijvoorbeeld de ziekte van Parkinson. Hij was een bij veel mensen geliefde en vrolijke man, maar hij kon niet meer vrolijk kijken doordat de spieren in zijn gezicht stijf waren geworden.