Lavabo betekenis & definitie

Lavabo, wasbekken, fonteintje of wasruimte in de rooms-katholieke kerk of in kloosters; wastafel of kleine ingebouwde ronde badkuip/wasbak (vooral Zuid-Nederland en België).

Lavabo is het eerste woord van de Vulgaattekst van Psalmen 25 (26):6, lavabo inter innocentes manus ‘ik zal mijn handen wassen temidden der onschuldigen’ (De NBV zegt: ‘Ik zal mijn handen in onschuld wassen’). De priester sprak deze woorden als hij tijdens de mis zijn handen aan een rituele wassing onderwierp. Het woord lavabo werd de naam van het gebed, van de handenwassing en van het gerei dat daarbij te pas kwam. Nog weer later raakte het ook buiten de kerk bekend en duidde men er, vooral in het zuiden van ons taalgebied, een wastafel of soort waskuip mee aan. Hierbij speelde waarschijnlijk invloed van het Frans een rol. De letterlijke betekenis ‘ik zal wassen’, hoe toepasselijk ook, is daarbij niet iedereen bekend.

Gebruiksvoorbeeld: Hij nam een pancake-stift uit het toiletkastje en schreef iets op de spiegel van de lavabo. (H. Claus, De hondsdagen, 1952, p. 50)

Gebruiksvoorbeeld: In de Middeleeuwse kloosters, speciaal bij de Cisterciënzers, is de lavabo gewoonlijk een apart, rond of zeshoekig gebouwtje, gelegen tegenover de ingang van de refter. (Algemene Winkler Prins Encyclopedie, 1958, dl. 6, p. 497-498)

Gepubliceerd op 11-05-2017