Wat is de betekenis van zwanger?

2019
2021-08-04
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

zwanger

zwanger - Bijvoeglijk naamwoord 1. de toestand waarin een vrouw verkeert wanneer er in de baarmoeder een bevruchting heeft plaatsgevonden Verwante begrippen zwangerschap

Lees verder
2018
2021-08-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

zwanger

zwanger - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: zwan-ger 1. in verwachting van een kind ♢ zij is zwanger 2. ermee vervuld zijn ♢ de lucht was zwanger van het voorjaar Bijvoeglijk naamwoord...

Lees verder
2010
2021-08-04
Dokterswoordenboek

Ruim 2300 medische begrippen, omschreven door Jannes van Everdingen en Arnoud van den Eerenbeemt

zwanger

In verwachting van een of meer kinderen. Een vrouw is zwanger wanneer in haar baarmoeder een of meer eitjes zijn bevrucht. Na de bevruchting nestelt het eitje zich in de baarmoeder. Het groeit daar verder tot een baby uit. Het kind in de buik groeit zo’n negen maanden lang. Daardoor wordt de aanstaande moeder zelf natuurlijk ook steeds zwaarder. Da...

Lees verder
1980
2021-08-04
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Zwanger

In plaats van het woord zwanger gebruikt men dikwijls omschrijvingen als: in blijde verwachting, in positie, in gezegende omstandigheden. Blijkbaar rust er een taboe op het woord en dat is begrijpelijk: het drukt immers het resultaat uit van seksuele bedrijvigheid en het seksuele was en is soms nog met taboe beladen. Er is verwantschap met het bijv...

Lees verder
1977
2021-08-04
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

zwanger

zwanger - een kind verwachtend, bevrucht. Na omtrent zes maanden dit leeven gevoert te hebben, (begon ik) gewaar te worden, dat ik swanger was. Zeker 'k was daar niet zeer verheugt over; want ik had de gedagte wel, dat het 't zo gemakkelijk niet uit zoude komen, als ’t ’er wel ingegaan was, De Openhertige Juffrouw' 1, 92...

Lees verder
1973
2021-08-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

zwanger

bn., een ongeboren vrucht dragend: een zwangere vrouw; (fig.) van iets dat onheil dreigt te ontladen.

1952
2021-08-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Zwanger

adj., swier, (heech en) dreech; — zijn, jongwiif, yn ’e bloei, net allinne wêze, (wer) mei moatte, eat ûnder ’e skelk, in stik yn ’e skelk hawwe, in spiker yn 'e foet hawwe, fan 'e baen moatte.

1950
2021-08-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Zwanger

bn., bevrucht, een kind dragende: een zwangere vrouw; zwanger zijn, in gezegende omstandigheden, in blijde verwachting zijn ; hoog zwanger, na aan het baren toe ; — (fig.) donkere wolken, zwanger van onheil, daarvan vervuld; zij zag de bliksemstralen het zwangere zwerk klieven (Potg.); — van iets zwanger z...

Lees verder
1898
2021-08-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

ZWANGER

ZWANGER, bn. bevrucht, moetende baren: eene zwangere vrouw; — zwanger zijn. in gezegende omstandigheden, in blijde verwachting zijn: hoog zwanger zijn; — (fig.) van, met iets zwanger zijn of gaan, voornemens zijn iets te doen, een plan gevormd hebben. ZWANGERHEID, ZWANGERSCHAP, v.

Lees verder