Wat is de betekenis van voor?

2018
2021-04-18
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

voor

voor - bijwoord, voegwoord 1. aan de voorkant ♢ de auto staat voor 1. een schort voor hebben [voor je buik gebonden] 2. je bent het ermee eens ...

Lees verder
1998
2021-04-18
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

voor

Ter rechterzijde van. Zowel gezegd van een speler, die bijvoorbeeld vóór de openaar zit (en daardoor wellicht zijn kaarten wat minder hoog moet waarderen) als van een kaart, bijvoorbeeld een heer die vóór het aas van dezelfde kleur zit (en daardoor waarschijnlijk geen slag zal winnen). Zie ook: achter

Lees verder
1990
2021-04-18
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

voor

voor - Te gebruiken om iets te beschrijven dat zich aan of bij de voorkant of het belangrijkste deel van iets bevindt. Gebruik 'voorkanten', uit de hiërarchie Onderdelen als verwijzing naar deze delen zelf. Gebruik 'frontaal' in de zin van naar de kijker toe gewend zijn, zoals een figuur in een schilderij.

1973
2021-04-18
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

voor

I. voorz., 1. (van plaats) eerstkomend, dichtbij (het tegengestelde van achter)-, ik sta — de tafel; (zegsw.) dat staat — de deur, is elk ogenblik te wachten; een doel — ogen houden, daarnaar blijven streven; — de wind zeilen, zó dat de wind juist van achteren in de zeilen blaast; (zegsw.) het gaat hem — de wind...

Lees verder
1952
2021-04-18
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Voor

1. s.n.; heten tegen, it foar en tsjin. 2. praep., foar; (van tijd), nêst, neist; vandaageen week, hjoed in wike; vóór enige dagen, weken, jaren, (h)okkerdeis, -wyks, -jiers; er is evenveel tegen als —, dat is sa goed sa tsjoed, sa goed sa kwea. 3....

Lees verder
1933
2021-04-18
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Voor

Geul in de aarde, zooals die bij het ploegen, spitten en zaaien kan worden gemaakt.

1898
2021-04-18
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Voor

Het begrip voor heeft 3 verschillende betekenissen: 1. voor - VOOR - VORE, v. (voren), ploegsnede. 2. voor - VOOR - vz. voorafgaand, vroeger in den tijd zijn of geschieden : voor 7 uur ; voor Zondag, voor Paschen; voor dien tijd; voor dag en dauw aan het werk zijn, zeer vroeg ; voor dezen geloofde men aan spoken, vroeger; voor een paar dagen, een...

Lees verder