Wat is de betekenis van voor?

2023-09-25
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Marc De Coster (2020-2023)

voor

(17e eeuw, vero.) (plat) vrouwelijk geslachtsdeel. Betekent eigenlijk: ploegsnede. Vermeld in het WNT. Vgl. gleuf*; spleet*. • Mydunkt dat zigde Bruid, door mijn gesnap, ontstelt, En beeter kooren weet om in heur voor te zaayen. Heer Bruidegom, vaarwel, en laat u Kraayer, kraayen, ... (D'uitsteekenste digt-kunstige werkken, door Jan Zoet, Ams...

2023-09-25
Muiswerk Educatief

Muiswerk Educatief (2017)

voor

voor - bijwoord, voegwoord 1. aan de voorkant ♢ de auto staat voor 1. een schort voor hebben [voor je buik gebonden] 2. je bent het ermee eens ...

Direct toegang tot alle 15 resultaten over voor?

Word nu vriend van Ensie
2023-09-25
Bridge Opzoekboek

drs. Toine van Hoof (2017)

voor

Ter rechterzijde van. Zowel gezegd van een speler, die bijvoorbeeld vóór de openaar zit (en daardoor wellicht zijn kaarten wat minder hoog moet waarderen) als van een kaart, bijvoorbeeld een heer die vóór het aas van dezelfde kleur zit (en daardoor waarschijnlijk geen slag zal winnen). Zie ook: achter

2023-09-25
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema (2003)

voor

(vz.) - voor wat dient het?, waarvoor dient het? - voor wanneer is het?, wanneer is het? - voor geld spelen, om geld spelen. - voor gevolg/doel/onderwerp enz. hebben, als gevolg/doel/onderwerp enz. hebben. - zich akkoord verklaren voor, akkoord gaan met. - gekend zijn voor, bekend zijn om. - de bus/trein...

2023-09-25
Art & Architecture Thesaurus

Getty Research Institute (1990)

voor

voor - Te gebruiken om iets te beschrijven dat zich aan of bij de voorkant of het belangrijkste deel van iets bevindt. Gebruik 'voorkanten', uit de hiërarchie Onderdelen als verwijzing naar deze delen zelf. Gebruik 'frontaal' in de zin van naar de kijker toe gewend zijn, zoals een figuur in een schilderij.

2023-09-25
Zuidnederlands Woordenboek

Walter De Clerck (1981)

voor

I. Als vz. 1. In tijdsbep., ter inleiding van een tijdsmoment; vooral in de verb. voor het ogenblik e.d., op het ogenblik (gall., naar fr. pour le moment); - ook ter aanduiding van een tijdsduur: gedurende; voor een tijdje (studeren, werken) enz., (gedurende) een tijdje. (In de standaarde wel in verb. als: voor het leven, vo...

2023-09-25
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar (1936)

voor

: vz. met allerlei betekenissen, vooral m.b.t. personen; vaak betekent het: tegen. Breng dat ding voor me = Breng dat ding aan me. Ik ga zeggen voor je = Ik zal je eens wat vertellen. Hij maak bullebak voor me = Hij steekt zijn tong tegen me uit. Zet medicijn voor me = Doe jodium op mijn wond. Hij jokt voor zijn baas = Hij liegt tegen zijn baas. Z...

2023-09-25
Frysk Wurdboek (Friesch woordenboek)

Fa. A.J. Osinga (1952)

Voor

1. s.n.; heten tegen, it foar en tsjin. 2. praep., foar; (van tijd), nêst, neist; vandaageen week, hjoed in wike; vóór enige dagen, weken, jaren, (h)okkerdeis, -wyks, -jiers; er is evenveel tegen als —, dat is sa goed sa tsjoed, sa goed sa kwea. 3....

2023-09-25
Verklarend handwoordenboek der Nederlandse taal

M. J. Koenen's (1937)

voor

I. v. voren, voortje (groef, ploegsnede; fig. rimpel in ‘t voorhoofd); ook, vore. II. vz. (1 betrekking van plaats of tijd; tegengestelde van achter of na; 2 in plaats van; 3 ten behoeve of ten gunste van; 4 wat aangaat): 1. plaats: de boom staat voor het huis; ze zaten voor het raam; voor en achter mij; tijd: voor een jaar ongeveer, een jaa...

2023-09-25
Katholieke Encyclopaedie

Uitgeverij Joost van den Vondel (1933-1939)

Voor

Geul in de aarde, zooals die bij het ploegen, spitten en zaaien kan worden gemaakt.

2023-09-25
Modern Woordenboek

Jozef Verschueren (1930)

voor

(vo:r) v. (voren; -tje) 1. Eig. gleuf, insnijding van de ploeg, ploegsnede : brede, diepe voren trekken. 2. Metf. rimpel in het voorhoofd.

2023-09-25
Oosthoek Encyclopedie

Oosthoek's Uitgevers Mij. N.V (1916-1925)

Voor

I. voorz., 1. (van plaats) eerstkomend, dichtbij (het tegengestelde van achter)-, ik sta voor de tafel; (zegsw.) dat staat voor de deur, is elk ogenblik te wachten; een doel voor ogen houden, daarnaar blijven streven; voor de wind zeilen, zó dat de wind juist van achteren in de zeilen blaast; (zegsw.) het gaat hem voor de wind, hij heeft vee...

2023-09-25
Groot woordenboek der Nederlandsche taal

J.H. van Dale (1898)

Voor

Het begrip voor heeft 3 verschillende betekenissen: 1. voor - VOOR - VORE, v. (voren), ploegsnede. 2. voor - VOOR - vz. voorafgaand, vroeger in den tijd zijn of geschieden : voor 7 uur ; voor Zondag, voor Paschen; voor dien tijd; voor dag en dauw aan het werk zijn, zeer vroeg ; voor dezen geloofde men aan spoken, vroeger; voor een paar dagen, een...

2023-09-25
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Voor

Voor, vz. en bijw. voorafgaand; hij stond - (tegenover) mij; - de deur, op straat; - de poort, buiten; - als nog, vooreerst; - (in de plaats van) iem. spreken, gaan, optreden. *-, aan de voorzijde; hij is - (in de voorkamer, in het voorhuis); ik - mij, wat mij betreft; hij bleef - dood liggen, als of hij dood was; voet - voet, langzamerhand; - wien...

2023-09-25
Zeemans woordenboek

Jacob van Lennep (1865)

Voor

bw. 1. Voor den boeg van het schip. Het anker is voor (het hangt voor den boeg). 2. Het voorste gedeelte van ’t schip, de bak (Wenkaan voor, (fokke hals opsteken, losgooien).