Wat is de betekenis van versieren?

2022
2022-08-11
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

versieren

1) (1948) (inf.) in orde brengen; regelen. Oorspr. Soldatentaal? Vermeld door Salleveldt. Syn.: ritselen*. • Versieren (z.h.) door min of meer duistere methoden iets in orde brengen. 'Een paspoort versieren', met kunst- en vliegwerk in 't bezit van een pas(poort) komen. (Henry Roskam: Boevenjargon. 1948) • ‘Kom maar mee,’ nod...

Lees verder
2019
2022-08-11
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

versieren

versieren - Werkwoord 1. (ov) iets meer aantrekkelijk of mooier maken Zij versieren de huiskamer voor de verjaardag van hun zoontje. 2. (ov) langs (veelal officieuze) weg regelen Hij wist nog mooie plekken voor het concert te versieren. 3. (ov)...

Lees verder
2018
2022-08-11
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

versieren

versieren - regelmatig werkwoord uitspraak: ver-sie-ren 1. ervoor zorgen dat het er komt ♢ hij heeft weer een paar vrije dagen versierd 2. er feestelijk uit laten zien ♢ we versieren de kamer me...

Lees verder
1998
2022-08-11
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

versieren

Van een slag: ontwikkelen. Van ‘versieren’ wordt doorgaans gesproken als bij het ontwikkelen enige handigheid van de leider of onhandigheid van de tegenpartij te pas komt.

1980
2022-08-11
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Versieren

In de spreektaal van jongeren is het werkwoord versieren heel gewoon. Veel gebruikt is de zegswijze: wij zullen dat wel even versieren, maar men kan tegenwoordig ook een meisje versieren en bedoelt dan niet: haar met sieraden behangen, maar veeleer: haar op slinkse wijze veroveren of iets van dien aard. Het lijkt heel waarschijnlijk dat wij hier te...

Lees verder
1973
2022-08-11
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

Versieren

(versierde, heeft versierd), 1. tooien, verfraaien: een zaal versieren; guirlandes versieren de toegangsweg; 2. tot sieraad verstrekken; 3. (spreekt.) in het vat gieten: hoe moet ik dat nou versieren ? in orde maken, voor elkaar krijgen; met dat meisje valt er wel iets te versieren; vandaar ook voor (een vrouw of meisje) verleiden; valt er nog wa...

Lees verder
1952
2022-08-11
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Versieren

v., forsier(j)e, forgnisse, -gnisje, oppronkje, moai meitsje.

1950
2022-08-11
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Versieren

(versierde, heeft versierd), 1. tooien, opsmukken, met sieraden behangen : gij versiert de graftekenen der rechtvaardigen (Mattli. 23:29); huizen en straten versieren ; (zich) versieren met iets, (zich) mooi maken, veelal iron.: het diaconiemannetje, dat ik bij deze gelegenheid met den naam van Keesje hoorde versieren (Beets): —...

Lees verder
1949
2022-08-11
Boevenjargon

Geschreven door Professor Henry Roskam

versieren

(z.h.) door min of meer duistere methoden iets in orde brengen. Een pas(poort) versieren, met kunst¬en vliegwerk in 't bezit van een pas(poort) komen.

1937
2022-08-11
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

versieren

versierde, h. versierd (opschikken, optooien, verfraaien): een kamer versieren; gevoelens, die den man versieren; z. middelmaat; refl. zich versieren.

1919
2022-08-11
uitdrukkingen

Woorden en uitdrukkingen verklaard

Versieren

vroeger ook verderen uit sieren, tooien, mnl. tsieren, cieren, sieren, waarschijnl. ontleend aan ’t hgd. zieren. Verg. sieraad.

1898
2022-08-11
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

VERSIEREN

VERSIEREN - (versierde, heeft versierd), tooien, opsmukken, verfraaien : huizen en straten versieren; (fig.) tot sieraad verstrekken: die hoornen versieren het bosch; — opsieren, met leugens opsmukken: een versierd verhaal, een sprookje ; zich versieren, zich opschikken. VERSIERING, v. (-en), het versieren.

Lees verder