Tocht
m. (-en), 1. trekkende beweging, trek, ruk; (bij het heien) dertig opeenvolgende slagen van het heiblok; 2. zeker zwaar touw op vissersschepen in gebruik, waarmee het anker gevierd wordt: grote hennepen tocht; 3. (gew.) snoer van een vistuig; 4. (veroud., nog gew. in Z.-Ned.) het trekken van voordeel uit zeker goed of kapitaal; vruchtgebru...