Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

Gepubliceerd op 09-06-2021

stuk

betekenis & definitie

1) (17e eeuw) (inf.) (oorspr.: een stuk van een meid) mooie, seksueel erg aantrekkelijke vrouw (soms ook man). Vgl. brok*, moot*, spetter* en stoot*.

• ’t is sulck een stuck van een Meyt, je soutze voor de ploeg, of voor een wagen gespannen hebben. Ze is geborst en gebilt… als Sint Joris Heynst… (J.Z. Baron: Kees Louwen ofte de Geschoren Boer. 1667)
• Heeft hij altijd zo’n blond stuk bij zich. Met een roodleren jas? (Jan Cremer: Ik Jan Cremer. 1964)
• Kom jij eens mee, lekker stuk. (Heere Heeresma: Geef die mok eens door, Jet! 1968)
• Als ik het glas leeg heb zie ik pas goed wat een lekker stuk het is. Ze staat sexy voor mij heen te draaien en ik zeg: ‘Heb je soms zin om vanavond met me te gaan eten?’ (Jan Cremer: Made in USA. 1969)
• Ik keek haar aan: mijn God, ik bleef ter plaatse dood
Het was een stoot
Kleere, Ivo, ‘k stond te trillen van geluk
Het was een stuk
Het was een stoot
Het was een stuk. (Ivo de Wijs: Stuk/Stoot. 1969)
• Jezus, wat een stuk! (Cees Buddingh: De avonturen van Bazip Zeehok. 1969)
• Stuk, sexy meisje. (Rouke G. Broersma: Recht voor z’n raap. Jargonboek voor hippe en andere vogels. 1970)
• Ja, lekker stuk, ga maar vast op je rug liggen. (Johan Fabricius: Partnerruil niet uitgesloten. 1972)
• Stuk: aantrekkelijke vrouw. (Opoe Herfst. Samengesteld door het reclame adviesbureau Advertising Marketing + Design. 1973)
• (Enno Endt en Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• Dit lekkere stuk buigt haar hoofd en de oudere heer streelt haar over haar voorhoofd. (Rudolf Geel: Bitter en zoet. 1975)
• Dan zegt mijn vrouw tegen mij je bent een lekker stuk. (Armand: Lijpe Harrie. 1977)
• Doodse stilte als ineens zo'n buitenlands stuk naar binnen veert, vooral als ze groot en blond is. (Bert Hiddema: Ik loop. 1982)
• Goed, ze mochten me belachelijk vinden, een ei en een sukkel, maar ik was toevallig wel de vriend van Jetta Geerts, het grootste stuk van Den Helder! (Imme Dros: Lange maanden. 1982)
• Hij versiert meisjes aan de lopende band. 'Stukken' noemt hij ze. (Bert Hiddema: Scheuren in het asfalt. 1985)
• De converserende heren begroeten nieuwkomers met zoenen en hier en daar klinkt tussen het 'ha, kerel!' zelfs een schalks 'dag, me stuk!' op. (Haagse Post, 06/12/1986)
• Irene was een lekker stuk. (Mensje van Keulen: Engelbert. 1987)
• Ik vond het een lekker stuk, een prachtig meisje.... (J.M.A. Biesheuvel: De angstkunstenaar. 1987)
• Hij stond bekend als “het stuk van de stad”. (Marion Bloem: Lange reizen, korte liefdes. 1987)
• Wie een vrouw 'stuk' noemt, heeft altijd de vlezige stukken van haar lichaam op het oog. (Charlotte Mutsaers: Kersebloed en paardejam. 1990)
• ‘Wat een stuk’, zei Hans. ‘Met die zou ik het wel eens willen doen.’ (Ton van Reen: Roomse meisjes. 1990)
• “Willemientje, Willemientje, Willemientje, lekkerrr stuk!” zong de groep dronken matrozen aan de tafel vol met glazen in koor toen ze haar zagen. (Clark Accord: De koningin van Paramaribo. 1999)
• In een luxe wijk, ver van de oude Koerd, kijkt een Turkse jongen in een duur café naar een wedstrijd van tennister Martina Hingis op Eurosport. Hij vindt haar een lekker stuk, hoopt dat hij in zijn militaire dienst niet naar het Koerdische gebied hoeft, en heeft geen boodschap aan het lot van Öcalan. (Trouw, 31/05/1999)
• In onze Faculteit zijn ook heus wel lekkere stukken te vinden, hoor... niet zo veel als in de Faculteiten van Vreemde Talen, maar toch. (Lulu Wang: Seringendroom. 2001)
• Nando lacht haar toe: ‘Ik zei: hé, lekker stuk.’ (Jan Eilander: Raffie. 2005)
• Mariska is wat je noemt “een stuk”, met grote borsten, knalrode lippen en ravenzwart geverfd haar. (Nicolien Mizee: De porseleinkast. 2018)
• ‘Heb je Toppop dan niet gezien? Het is Donny Osmond, een superstuk.’ (Christel Jansen: De woonschool. 2012)
• De vriendin van Baader, Gudrun Ensslin, was een stuk. Keihard, intelligent – en bloedmooi. (Theodor Holman: Holman liegt. 2014)
• Maar op een avond kwam er een prachtige meid binnen met haar man. Echt zo’n stuk, met lang blond haar en een Hema-kop. (Hans Dorrestijn: Zelfs Christus aan het kruis had het beter dan ik thuis. 2015)

]2) (1966) (inf.) mannelijk lid. Wapens zijn populaire metaforen voor de penis. Zie ook: geschut*; kanon* enz.

• Maar de Jongen zijn ‘pik’ -en uit het gebruik van dit stuitend en ontluisterend woord, dat ‘Gerard’ herhaaldelijk in plaats van ‘lul’, ‘stuk’ of ‘tamp’ bezigde, wist ik zonder enig verder bewijs van node te hebben, dat zijn liedeleven niets anders was noch ooit kon worden dan een dierlijke jacht naar mechanisch genot.... (Gerard Reve: Nader tot u. 1966)
• Ik zag zijn stuk in het schemerige licht, en zijn grote blonde zak.... (Gerard Reve: De taal der liefde. 1972)
• (Enno Endt en Lieneke Frerichs: Bargoens Woordenboek. 1974)
• (Hans Heestermans: Erotisch Woordenboek. 1980)
• (Piet van Sterkenburg: Rot zelf lekker op. Over politiek incorrect en ander ongepast taalgebruik. 2019)

3) (1987) (cliché) (meestal verkleinvorm) hoeveelheid: een stukje warmte; een stukje ondersteuning; een stukje invulling enz.

• Ja, dat is het verschil... voor mij zitten er allerlei handvatten aan, en dat geeft toch een sterk stuk herkenning. (Jan Kuitenbrouwer: Turbotaal. Van Socio-Babble tot Yuppie-Speak, 1987)
• Stuk. Door de vele (Kamer)stukken die zij tot zich moeten nemen beïnvloed woordgebruik, in de zin van `De regeringspartijen hebben een stuk water in de wijn gedaan', `De minister heeft een stuk bewogenheid op tafel gelegd', dit alles in het kader van `een stuk duidelijkheid (!) naar de burger toe'. (Albert Hofstede: Parlementaal. Een verwarrend woordenboekje, 1991)
• Stukje. Ooit een modeterm uit de softe sector, nu vast onderdeel van het managersjargon. Betekenis zweeft tussen `beetje' en helemaal niets. `Ik probeer toch een stukje begeleiding, een stukje enthousiasmering te brengen.' (Pieter Kort: Bisnis Babbel. Geheimtaal van het zakenleven, 1996)
• Ik weet natuurlijk ook wel waarom mensen “een stukje” zeggen: om te verbloemen dat het onwijs véél is wat ze van je vragen. Dan zeggen ze bijvoorbeeld dat je best eens “een stukje meer zelfredzaamheid” aan de dag zou mogen leggen, en dan bedoelen ze dat je het voortaan maar helemaal zélf moet uitzoeken. (Japke-d. Bouma: Uitrollen is het nieuwe doorpakken. 2016)

4) (17e eeuw) (Amsterdam) snee of homp brood; boterham (zonder boter).

• Ick en kon niet eten Had hy niet me egeten, Sneed' ick ien stick, en smierdet dick, Wy beten beet aen beten, Dan hy, en dan weer ick. (G.A. Bredero: De werken van -. 1610-1620)
• (Köster Henke: De boeventaal. 1906)
• (E.G. van Bolhuis: De Gabbertaal. 1937)
• (Henry Roskam: Boeven-jargon. 1948)
• (Hans Heestermans & Ditte Simons: Mokums woordenboek. 2014)
• (Paul van Hauwermeiren: Bargoens. Vijf eeuwen geheimtaal van randgroepen in de Lage Landen. 2020)