Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

Gepubliceerd op 01-11-2017

2017-11-01

stuk

betekenis & definitie

stuk - Zelfstandignaamwoord
1. deel, gedeelte, onderdeel van een geheel
tab tab1">♢ De prachtige vaas viel in vele stukken op de vloer.
Van wie is dat stuk speelgoed?
Zodra ook dat stuk geschut is opgesteld, is de batterij compleet.
2. (kunst) een afgerond product van nijverheid of kunst
Dit stuk is als blijspel niet erg geslaagd.
We moeten dat andere stuk ook nog repeteren.
3. (handel) één als teleenheid
Hoeveel exemplaren zijn er nog over? - Nog drie stuks.
Die appels kosten € 0,50 per stuk
Op de veemarkt kocht de boer drie stuks vee.
4. een onbepaalde hoeveelheid of maat
Kom, we lopen nog een stukje.
Ik zoek nog een stuk gordijnstof.
Daarmee is dat lemma stukken beter geworden.
5. document, oorkonde
Uit de stukken bleek daar niets van.
6. opstel, artikel
Hij heeft een stukje voor de krant geschreven.
7. (informeel) een aantrekkelijk persoon (man of vrouw)
Wat een stuk is dat zeg!
8. (kaartspel) de combinatie troef koning en troef vrouw bij klaverjassen
We hadden stuk en een driekaart, samen veertig roem.

stuk - Bijvoeglijk naamwoord
1. kapot, gebroken
Die vaas is stuk.
2. defect
Zijn computer was stuk.

stuk - Bijwoord
1. bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord in stukken gebroken
stukslaan: Het schip sloeg stuk op de rotsen.

Synoniemen
[1] bestanddeel, brokstuk, brok, component, element, fragment, homp, part, plak, scherf, schijf
[2] beeldhouwwerk, opus, werk
[3] artikel, eenheid, unit,
[4] eind, lap,
[6] hoofdstuk, hoofdstuk, kapittel, aflevering,
[7] stoot

Antoniemen
[1] geheel, heel, totaal, alle, alles