Wat is de betekenis van schil?

2020
2021-03-01
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Schil

Zie Schilleman

2018
2021-03-01
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

schil

schil - zelfstandig naamwoord 1. huid of bast van een vrucht of knol ♢ hij kan in één keer de schil van een appel halen 1. een peulenschil [een kleinigheid, iets wat je gemakkelijk doet] Zelfstand...

Lees verder
1974
2021-03-01
Biologische encyclopedie

Biologische encyclopedie geschreven door G. Th. van Kempen. Amsterdam, 1974.

schil

alles wat bij een houtige stengel buiten het cambium ligt; dus de opperhuid, de schors, het pericambium en het secundaire floëem.

1973
2021-03-01
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

schil

v./m. (-len), 1. buitenste omkleding van allerlei zaken uit plantenen dierenrijk: de schillen van appelen, citroenen; de — van wilgetakken; 2. (natuurkunde) elektronenschil.

Lees verder
1964
2021-03-01
voornamen

Voornamenboek

Schil

m -> Schilleman.

1958
2021-03-01
Encyclopedie van Friesland

Encyclopedie van Friesland (1958) onder redactie van Prof. Dr. J.H. Brouwer

SCHIL

(Fr.: skyl). Schelpen. Bij Schiermonnikoog op het Wad de Skyldersron: waar de skylders (schelpenvissers) de ron (loop) hadden (2 Schelp). Bij Makkum de S.-bank. Op S.-kampen te Lwd. was een (schelp)kalkfabriek. Soms schelpen in de klei, waar eens zee was, zo de S.-weg te Stiens. Soms valt te denken aan Fr. skelf, schelf, of aan schelf, riet.Zie:...

Lees verder
1950
2021-03-01
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Schil

v. (-len), 1. zachte omkleding, kurkhuid van een vrucht of knol: de schillen van appelen, aardappelen, citroenen ; 2. bast van een tak of twijg : de schil van wilgetakken, van het vlas ; 3. dop (.van een ei); 4. korst of dunne vaste laag van een grondsoort, die een andere bedekt: 5. buitenlaag van enig bol vormig lichaam. .

Lees verder