Wat is de betekenis van Ros?

2020
2021-09-23
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Ros

Waarschijnlijk een spellingvariant van Ross.

2020
2021-09-23
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

ros

1) (19e eeuw) (Barg.) hoofd. Andere Bargoense termen hiervoor: ballon*; kanes*; kiebes*; klabbes*; klapbes*; knar*; knerp*; neut*; parg*; patet*; rausje*; test*; treiter*. • Wij belenzen het later bij het neref van een winkel; het is echt spul. „Jongen", zeg ik tegen de „slappe", „houdt het goed gewoerem " en laten wij naar...

Lees verder
2016
2021-09-23
Omroep Reclame Nederland

Begrippenlijst Omroep Reclame Nederland.

ROS

ROS staat voor Run of Site. De advertentie roteert op willekeurige pagina’s van een specifieke site.

2007
2021-09-23
Scheldwoordenboek

Geschreven door Marc de Coster © 2007

Ros

slecht iemand (doorgaans een vrouw: helleveeg, feeks). Vermeld door o.a. De Clerck. Driftig wendde hij zich om, en stak de gebalde vuisten recht voor zich uit. De wijven zijn geslepen: ze liegen en bedriegen! "t Zijn rossen!’ (Reimond Stijns, Hard labeur, 1904)

Lees verder
1998
2021-09-23
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Ros

geen - helemaal niets. Informele uitdr. Syn. geen fuck-, geen hol; geen reet; geen ruk. Zie ook het stalen ros. Weetje dat dit mij geen ros interesseert? (Gerrit Krol: De Hagemeijertjes, 1990)

Lees verder
1998
2021-09-23
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

ros

strafdoublet

1980
2021-09-23
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Ros

Johannes Dominicus; geb. Den Haag 17 juni 1875, overl. Den Haag 5 januari 1952. Woonde en werkte aldaar (tijdelijk in Utrecht, tot 1902 leraar ambachtsschool). Leraar aan de Akademie v. B.K. in Den Haag, bibliothecaris, schilderde en tekende tevens figuren, portretten etc. Was lid van de Haagse Kunstkring. Gaf o.m. les aan P. Biesiot, J. C. Th. de...

Lees verder
1952
2021-09-23
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ros

adj., ros(sich), rodzich, rodseftich.

1950
2021-09-23
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Ros

I. o. (-sen), (litt. t.) paard: hij besteeg zijn5 moedig ros; — bep. schoon, vurig, moedig paard; strijdpaard; — het ijzeren ros, de spoortrein; — het stalen ros, het rijwiel. II. rosse v., (Zuidn.) 1. slecht of oud paard, knol. 2. slecht mens, kanal je; een ros (van een wijf), helleveeg,...

Lees verder
1898
2021-09-23
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ros

Het begrip ros heeft 3 verschillende betekenissen: 1. ros - ros - o. (-sen), edeler en deftiger naam voor paard ; hij besteeg zijn moedig ros ; vurig, moedig paard; strijdpaard; — (spott.) slecht paard, knol; — een stalen ros, rijwiel. 2. ros - ros - m. slaag : ros krijgen. 3. ros - ros - bn. (-ser, -t), roodachtig, roodbruin: een r...

Lees verder