Wat is de betekenis van roekeloos?

2018
2022-01-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

roekeloos

roekeloos - bijvoeglijk naamwoord uitspraak: roe-ke-loos 1. zonder te denken aan het gevaar ♢ roekeloos klom hij op het dak Bijvoeglijk naamwoord: roe-ke-loos ... is roekelozer dan ... d...

Lees verder
1980
2022-01-26
Van aalmoes tot zwijntjesjager

Geschreven door Dr. E. Schröder, 1980

Roekeloos

In het Middelnederlands bestond een werkwoord roeken, een zogenaamd onpersoonlijk werkwoord evenals regenen, hagelen enzovoorts. Mi ne roekt betekende: het kan mij niet schelen, het laat mij koud. De stam van dit werkwoord is verbonden met het achtervoegsel -loos dat: zonder betekent. Roekeloos is dus: zonder aandacht, zonder zorg. In die zin werd...

Lees verder
1973
2022-01-26
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

roekeloos

bn. en bw. (-lozer, -t), zeer onbezonnen, onberaden, vermetel: roekeloze daden; — zijn leven wagen.

1952
2022-01-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Roekeloos

adj. & adv., rokkeleas.

1950
2022-01-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Roekeloos

bn. bw. (...lozer, -t), onbezonnen, onberaden, vermetel: roekeloze moed; roekeloos zijn leven wagen, zich in ’t gevaar begeven.

1937
2022-01-26
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

roekeloos

bn., bw.; roekelozer, -t; zonder zorg met betrekking tot de gevolgen ener handeling of een daaraan verbonden gevaar; in hoge mate onbezonnen; vermetel; onverschillig; ook wel: woest, wild: een roekeloze jongen, daad; roekeloos zijn leven wagen.

1921
2022-01-26
Levende taal

T. Pluim - 1921

Roekeloos

van ’t Middelned. roec = zorg, oplettendheid: „Ic wille weten wat ghi roecf’ — waarom gij u bekommert. Roekeloos is dus: zonder zorg, zich om niets bekreunende.

1898
2022-01-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Roekeloos

Roekeloos - bn. bw. (...zer, -t), zorgeloos, lichtzinnig: roekeloos zijn geld uitgeven ; — vermetel, al te stout: roekeloos zijn leven wagen, zich in 't gevaar begeven; — een roekeloos leven leiden, een goddeloos leven leiden. ROEKELOOSHEID, v. (...heden), vermetelheid; (fig). waagstuk.

Lees verder
1898
2022-01-26
J.V. Hendriks

Handwoordenboek van Nederlansche Synoniemen 1898

Roekeloos

zie Onbezonnen.