Wat is de betekenis van ratel?

2022
2022-10-02
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

ratel

1) (17e eeuw) (inf.) mond: 'Haar ratel stond niet stil.' Vgl. klep* en lazarusklep*. • Als je nou je ratel niet dicht houdt, of als je je eigen niet zoo lang koest kunt houden, totdat ik het anker weer laat vallen, dan mo' je 200 lang je eigen zelvers maar ergens anders gaan opschieten, want anders raak ik heelemaal de kluts kwijt. (Arnold We...

Lees verder
2020
2022-10-02
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

ratel

Het begrip ratel heeft 6 verschillende betekenissen: 1) houten instrument dat geluid maakt. houten instrument dat een langgerekt kletterend geluid maakt als men het om een handvat ronddraait. 2) gereedschap met een ratelmechanisme. gereedschap dat voorzien is van een ratelmechanisme. 3) drukke prater. iemand die ononderbroken...

Lees verder
2018
2022-10-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ratel

ratel - zelfstandig naamwoord uitspraak: ra-tel 1. houten instrument waarmee je een doordringend, klepperend geluid kunt maken ♢ door middel van een ratel werden de dorpsbewoners gewaarschuwd 2. mond die blijft praten...

Lees verder
1990
2022-10-02
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

ratel

ratel - Geschudde idiofonen, in allerlei vormen; ze worden bespeeld door één of meer voorwerpen te schudden of tegen binnen- of buitenkant van een ander voorwerp te slaan, komen wereldwijd voor.

1962
2022-10-02
Muziek Encyclopedie

Geschreven door S. van Ameringen (1962)

ratel

een tot de idiofonen behorend instrument; een vrij draaiende houten tong wordt door een ronddraaiende beweging van dc hand tegen de tanden van een houten tandwiel geslagen. Het effect is een reeks droge ‘knallen’.

1952
2022-10-02
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ratel

s., rattel.

1950
2022-10-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ratel

I. m. (-s), 1. houten werktuig waarmee men een doordringend geluid kan maken door een tong klepperend om een tandrad te laten draaien : de leprozen klepten met hun ratel; — eertijds het typisch attribuut van de nachtwacht: een klepperman die de ratel slaat en de klep roert; — ook attribuut van de vuilnisophaler, waarmee hij zijn aanwezi...

Lees verder
1949
2022-10-02
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Ratel

houten instrument waarmee geraas wordt gemaakt; vroeger gebruikt door nachtwaker of klepperman. In R.K. liturgie van Witte Donderdag tot Paas Zaterdag i.p.v. klokken en altaarschellen.

1937
2022-10-02
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ratel

m. ratels (houten klepper, waarmede men een ratelend geluid maakt; v. ratelslangen: een ratelend geluid makend orgaan aan de staart; fig. mond, snapper, rammel): fig. hou je ratel; haar radde ratel staat geen ogenblik stil, tong; hij is een ratel, in deze bet. ook v.; Z.-N. hij ligt met de ratel in de keel, doodsreutel, ligt op sterven.

1933
2022-10-02
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Ratel

Houten voorwerp, waarmede geraas wordt gemaakt; soms slechts uit twee stukken bestaand en dan meestal klepper genoemd, gewoonlijk bestaand uit een kamrad met een daartegen drukkenden pal of klink. Wordt van Witten Donderdag tot Paaschzaterdag gebruikt ter vervanging der dan zwijgende klokken en altaarschellen. Louwerse

Lees verder
1932
2022-10-02
Muziek

Muziek lexicon

Ratel

Ned., Ratsche, D. (in partituren), een voorwerp in vlagvorm, waarvan de steel i. d. rechterhand gehouden wordt. Door een draaien van die hand wordt de „vlag" in een wentelende beweging gebracht; een stel kleine plankjes, stuitend op een kamrad, slaat telkens als het kamrad het loslaat, met kracht en een knappenden slag neer. Vlug draaien...

Lees verder
1930
2022-10-02
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

ratel

('ra:təl) m. (-s; -tje) I. [→ ratelen 1] houten klepper : van Witte Donderdag tot Paaszaterdag gebruikt men in de kerk -s. II. [→ ratelen 2] 1. Eig. geratel. 2. Metn. onrust in een molen. III. [→ ratelen 3] 1. Eig. mond : hou je -; haar staat geen ogenblik stil. 2. ook v. Metn. ratelende persoon, snapper, snapster.

Lees verder
1864
2022-10-02
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Ratel

Ratel, m. (-s), houten werktuig waarmede een kloppend geluid wordt gemaakt; wekker (in een klooster om de monniken te wekken); molenklepper (onrust in eenen molen); den - opslaan, ratelen, geluid maken met den ratel. *-AAR, m. (-s), -STER, v. (-s), die ratelt; babbelaar, -ster. *-EN, bw. gel. (ik ratelde, heb gerateld), met eenen ratel geluid make...

Lees verder