Synoniemen van Rabbi

2020-02-29

Rabbi

Rabbi, joods godsdienstleraar; aanspreking van Jezus; geleerde man. Het woord rabbi is in de bijbel (in het Nieuwe Testament een titel voor een schriftgeleerde, letterlijk ‘mijn heer, mijn meerdere’. Ook Jezus wordt ermee aangesproken door volgelingen, zie bijvoorbeeld Matteüs 26:49, Matteüs 26:49, ‘Hij [Judas] liep recht op Jezus af, zei: “Gegroet, rabbi!” en kuste hem’ (NBV). Het woord duidt nog steeds een joods godsdienstleraar aan, en kan daarbij meer algemeen voor een geleerd...

2020-02-29

rabbi

joodse godsdienstleraar die ook raadgever in een joodse gemeenschap en leider van een synagoge is; rabbijn

2020-02-29

Rabbi

Rabbi - hoge politieofficier die advies en bescherming verleent aan een jongere officier en die de carrière van deze laatste op een gunstige manier kan beïnvloeden. Vlaams.

2020-02-29

Rabbi

Rabbi, afkomstig van het Hebreeuwsche woord rab (groot, vooral in wetenschap en waardigheid), beteekent leraar en vervolgens heer en was, evenals het hedendaagsche doctor, een eernaam der Israëlietische geleerden. Rabban was nog glansrijker titel en werd gevoerd door slechts 7 rechtsgeleerden, en wel het eerst door Simeon ben Hillel, die in de dagen van Christus leefde. In onzen tijd dragen de door den Staat erkende Israëlietische godsdienstleeraars den naam van rabbijn.

2020-02-29

Rabbi

RABBI m. (-’s), titel van een rabbijn, wanneer men hem aanspreekt; rabbijn.

2020-02-29

Rabbi

Rabbi - (Hebreeuwsch lett. mijn leeraar, mijn meester, van Hebr. rab. „groot”), eeretitel van een Israël. godgeleerde evenals Rabban, een hoogere eeretitel; Rabbijn: Joodsch leeraar, meestal tevens prediker; Rabbinaat: kerkelijk gebied van een rabbijn.

2020-02-29

rabbi

rabbi - m., eigenlijk: heer; Israelietisch godsdienstleeraar.

2020-02-29

Rabbi

is een Hebreeuws woord, dat letterlijk „mijn leraar” betekent. Langzamerhand heeft het echter een betekenis gekregen, die het meest met het Nederlandse „mijnheer” overeenkomt en wordt het in verschillende formulieren gebruikt. Verbasterd tot „rebbe” heeft het woord nog de betekenis van leraar behouden.

2020-02-29

Rabbi

(Hebr., = mijnheer, < rab, „groot” in de wetenschap van de wet) of rabbijn (Lat. rabbinus, „mijn leeraar, mijn meester”, het Evang.-Aram. rabboni), in Christus’ tijd reeds titel voor wetkenner en wetleeraar. Door de vóór-Christel. ballingschap, door het minderwaardige gedrag der (Sadduceïsch-gezinde) hoogepriesters en vooral door de verwoesting |van Jerusalem gaat de r. de beteekenisvolle plaats innemen, die eerst de cohen of priester in de wet...

2020-02-29

rabbi

(Hebr.) rabbijn, m. joods godsdienstleraar.

2020-02-29

RABBI

(Hebr. en Aram., mijn heer) is een titel, die in Jesus’ tijd werd gegeven aan een gezaghebbende leraar. Daarmee werd Jesus aangesproken door zijn leerlingen (Marc. 9 : 5 enz.) evenals Johannes de Doper (Jo. 3 : 26). Volgens Matth. 23 : 7 werden de schriftgeleerden op de markt gaarne aldus aangesproken, maar Jesus wilde niet, dat zijn leerlingen zo werden genoemd. Naast rabbi komt in het N.T. de Aramese titel rabboeni voor (Marc. 10 : 51 en Jo. 20 : 16), die het eerbetoon versterkt. Op de...

2020-02-29

rabbi

('rabbi) m. (-’s) [Hebr. mijn leraar] aanspreektitel van een rabbijn.