Wat is de betekenis van put?

2020
2022-07-02
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

put

1) (19e eeuw) (havenarbeiders) scheepsruim. • De stuwadoor is van het laatste kwart van de negentiende eeuw; zijn functie ontwikkelde zich uit die van de eenvoudige scheepsaannemer of aanneembaas, uit de „put" (scheepsruim) opgeklommen. (NRC Handelsblad, 05/09/1974) • Triton, die de eis voor een andere opzet van de stukgoedpool &bd...

Lees verder
2018
2022-07-02
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

put

put - zelfstandig naamwoord 1. smal, diep gat in de grond waar water uit wordt gehaald ♢ ze schepten wat water uit de put 1. in de put zitten [verdrietig, neerslachtig zijn] 2....

Lees verder
2017
2022-07-02
Matrozen en mariniers

Jargon & Slang van Matrozen en mariniers

Put

Put - scheepsruim. Zie ook havenjargon.

2016
2022-07-02
Lenntech

Begrippenlijst Lenntech

Put

Put is een diep gat in de grond gemaakt met het doel ondergrondse watervoorraden te bereiken.

2002
2022-07-02
Funerair Lexicon

Encyclopedisch woordenboek over de dood (2002)

Put

zie : massagraf.

1990
2022-07-02
Art & Architecture Thesaurus

Art & Architecture Thesaurus

put

put - Gaten, kuilen of andere meestal verticale uitgravingen die in de aarde worden uitgeboord, geslagen, gedrild of op een andere manier gebouwd om diverse vloeistoffen omhoog te halen, bijvoorbeeld water, brijn, aardolie of aardgas.

1977
2022-07-02
Erotisch woordenboek

Hans Heestermans

put

put - vrouw, schaamdeel. Het hevel een puttekijn aen den lichame, X Goede Boerden (ed. VERWIJS) 35 [15e e.].Maar het putje van die oesters, Die al korrende ons vermaakt. ls het ware oesterbankje, Dat ons aan de lever raakt, Tweede schakering v. Nieuwe Gezelschaps-toasten 18 [1837]. en: een put van één paal hebben; gebezigd voor: mono...

Lees verder
1973
2022-07-02
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

put

m. (-ten), 1. gegraven of geboorde kokervormige diepte waarin water opwelt of waarin men water opvangt en bewaart: een graven, delven; de schacht van een put is veelal met steen bekleed: een put metselen ; (spr.) als het kalf verdronken is, dempt men de men verhelpt het kwaad, als het ongeluk gebeurd is; putten met iets kunnen dempen, gezegd van wa...

Lees verder
1969
2022-07-02
Pieter Scheen

Rode Scheen: Lexicon Nederlandse beeldende kunstenaars 1750-1950

Put

Put - zie G. C. Nijland.

1954
2022-07-02
Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Put

(z. Stek; is bij grondwerk, speciaal spitten, de plaats waar de grond wordt verwerkt. Ontginningen en herontginningen worden meestal met behulp van p. uitgevoerd. Een p. is bij uitvoering in handwerk ca 1 m breed en vele tientallen meters lang. Lengte en richting houden verband met aard en vorm van het terrein. De arbeiders werken over de p. verdee...

Lees verder
1952
2022-07-02
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Put

s., saed, boarne, welle, put; (in het land), dobbe; in dezitten, yn ’e myt, yn 'e skuorsek sitte.

1951
2022-07-02
Engels

Woordenboek Engels (1951)

put

I. zetten, stellen, plaatsen, leggen; brengen; steken; bergen, doen; fig uitdrukken, onder woorden brengen, zeggen; [een zaak] vóórstellen; [een zekere uitleg] geven (aan on); in stemming brengen; put a check on, tegenhouden, beteugelen, in toom houden; put about, wenden; laten rondgaan; fig uitstrooien; I hope I don’t put you a...

Lees verder
1950
2022-07-02
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Put

m. (-ten), 1. gegraven of geboorde diepte waarin water opwelt of waarin men water opvangt en bewaart: een put graven, delven; Artesische putten; — aan de binnenzijde met steen bekleed: een put metselen; 2. figuur op het ganzenbord die een put (1.) voorstelt: in de put zitten; (fig.) in verlegenheid zitten, geen uitweg we...

Lees verder
1937
2022-07-02
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

put

m. putten (1 in de grond gemaakte diepte, geboorde opening; kuil[tje]; schacht; 2 figuur op het ganzenbord): 1. een put graven; een put dempen; verg. beerput, regenput, zinkput, putjes in de wangen; zie kalf; nog: Z.-N. in het putje van de winter, hartje; 2. in de put zitten, fig. a) in verlegenheid zijn, b) geen uitweg weten, c) terneergeslagen.

Lees verder
1933
2022-07-02
Iedereen

Encyclopedie voor Iedereen

Put

verticale, gegraven of geboorde gang i/d grond t/h verkrijgen v. water daaruit. Regen-p. verzamelt het regenwater dat hetzij m/e emmer of m/e pomp wordt opgehaald. → Nortonpomp en → Artesische bron.

1933
2022-07-02
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Put

In het algemeen: kunstmatig gemaakt gat in den grond, bij voorkeur bestemd voor het bewaren van vloeibare of half-vloeibare stoffen (mestput, beerput, kalkput, ook: ➝ bouwput); meer speciaal echter waterput: cylindervormige schacht in den grond, hetzij ter bewaring van op de daken van een gebouw opgevangen hemelwater (regenwater-p., deze heeft een...

Lees verder
1910
2022-07-02
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Put

Put - baisse-premie bij premieaffaires in effecten te Londen en New-York. Zie Premieaffaire.

1898
2022-07-02
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Put

Put m. (-ten), diepe groeve : putjes in *t gezicht; — kuiltje : zij heeft putjes in de wangen, als zij lacht; — kuil: kalkput, beerput; — holte: putten in de aardappelen; — schacht: mijnput; — inz. gegraven of geboorde diepte waarin water opwelt: een put graven, delven; Nortonputten boren; Artesische putten; &mdas...

Lees verder
1870
2022-07-02
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Put

Put is de naam van eene in den grond gegravene of geboorde opening, welke dient om drinkwater te verschaffen. In ons land wordt uit den put het water opgehaald door middel van een daarin neergelaten emmer. Op hooggelegen plaatsen heeft men diepe putten, bijv. te Hoog Soeren, te Bentheim enz. Artesische putten worden geboord, en uit deze komt het wa...

Lees verder
1869
2022-07-02
Geographisch

Geographisch-woordenboek

Put

1) Zie PUTTEN 2). 2) een der zonen van Cham; Gen. 10: 6; I Chron. 1:8; Ezech. 30: 5; Nah. 3: 9. Van hem stamde het volk af, dat Puteërs genoemd werd; Jerem. 46: 9: Ezech. 27: 10; 38: 5.

Lees verder