Plek
v. (-ken), 1. (Zuidn.) vlek, klad; 2. klein gedeelte van de oppervlakte van iets dat anders van kleur of uiterlijk is dan de oppervlakte er om heen: een natte plek in een gordijn; hij krijgt al kale plekken op het hoofd; blauwe plekken op de arm; rode plekken in ’t gezicht; 3. plaats, punt, zekere uitgestrektheid ...