Plekken
(plekte, heeft geplekt), 1. (overg.) (Zuidn.) vlekken op iets maken: zijn broek plekken; — (ook) anders gekleurde plekken op iets aanbrengen: de noordenwind die rood en geel de blaren plekte (Ten Kate); 2. (onoverg.) (Zuidn.) vlekken krijgen, vuil worden: die stof is te wit, ze zal seffens plekken; — (ook) anders g...