Wat is de betekenis van plaatsen?

2018
2022-10-04
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

plaatsen

plaatsen - regelmatig werkwoord uitspraak: plaat-sen 1. het een plek geven ♢ waar heb je die kast geplaatst? 2. begrijpen waar het mee te maken heeft ♢ ik kan die opmerking wel plaatsen...

Lees verder
2017
2022-10-04
Wielrenners

Jargon & Slang van Wielrenners

Plaatsen

Plaatsen - 'zich plaatsen': een bepaalde plaats veroveren in de wedstrijd; een zekere rangorde bereiken. Fr. se placer. Gallicisme onder Vlaamse renners.

2009
2022-10-04
Golfsportwoordenboek

Golfsportwoordenboek door Jan Luitzen

plaatsen

(ov ww; plaatste; h. geplaatst) 1 SP - (bij een wedstrijd, toernooi, competitie) vaststellen van de plaats die iem. op een ranglijst inneemt op basis van zijn voorgaande prestaties (zodat nooit de twee sterksten reeds in het begin van een wedstrijd, competitie, toernooi, evenement tegen elkaar uitkomen) 2 SP (wederk.) - door een overwinning, het be...

Lees verder
2009
2022-10-04
Wielersportwoordenboek

Wielersportwoordenboek door Jan Luitzen ©

plaatsen

(plaatste; h. geplaatst) SP 1 (ov ww) - (bij een wedstrijd, competitie, toernooi, evenement) vaststellen van de plaats die iem. op een ranglijst inneemt op basis van zijn voorgaande prestaties (zodat de twee sterksten niet al in het begin van een wedstrijd, competitie, toernooi, evenement tegen elkaar uit komen). 2 (wdk ww) - door een overwinning,...

Lees verder
1973
2022-10-04
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

plaatsen

(plaatste, heeft geplaatst), 1. een plaats geven aan; stellen, zetten, aanbrengen, voegen: waar zullen wij de piano plaatsen ?; iets op, in, boven, tussen enz.; iemand op de troon plaatsen, tot vorst verkiezen; oneig.: de tijd waarin men de zondvloed plaatst, zich denkt; (fig.) ik kan dat van hem niet plaatsen,niet billijken, niet zetten, niet begr...

Lees verder
1952
2022-10-04
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Plaatsen

v., pleatse, sette, stelle, stalle, stâlle, stalje, plakke, plak jaen.

1950
2022-10-04
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Plaatsen

(plaatste, heeft geplaatst), 1. een plaats geven aan, stellen, zetten: waar zullen wij de piano plaatsen?; zijn gasten met overleg plaatsen: — een nieuweling op school in de achtste klasse plaatsen; — iem. op de troon plaatsen, tot vorst verkiezen; — hij plaatste zich naast mij, aan de deur, nam daar plaats; — de tijd...

Lees verder
1937
2022-10-04
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

plaatsen

plaatste, h. geplaatst (1 een plaats geven; zetten; 2 van geld: beleggen; 3 een betrekking geven): 1 een kachel plaatsen; een advertentie plaatsen, nl. in de krant; 2 geld plaatsen; 3 zijn zoon is goed geplaatst, h. een goede betrekking; nog: een grap plaatsen, te berde brengen op een geschikt ogenblik; sportt: niet geplaatst zijn, niet tot de pri...

Lees verder
1930
2022-10-04
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

plaatsen

(‘pla:tsən) (plaatste, heeft geplaatst) 1. op een bepaalde plaats zetten, leggen: waar zullen we de piano -? geen ruimte meer om boeken te -; de ketel op de kachel -; de linkervoet naast de rechter -; goed, slecht, verkeerd geplaatst zijn; een gasmeter, een standbeeld -; ergens zijn handtekening onder -; een advertentie (in de krant) -. ➝ ach...

Lees verder
1910
2022-10-04
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Plaatsen

Plaatsen - verkoopen, omzetten, aan den man brengen, van de hand zetten, beleggen; bankplaatsen, noemt men die steden, plaatsen, waar banken, succursalen, hoofd- of gewone agentschappen, correspondentschappen, enz. gevestigd zijn. Wisselplaatsen, die, waarop wissels, zonder extra onkosten verhandeld, betaalbaar gesteld of getrokken kunnen worden. O...

Lees verder
1900
2022-10-04
Collectie Nederland

Collectie Nederland: Musea, Monumenten en Archeologie

plaatsen

Concentratie van bebouwing.

1898
2022-10-04
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Plaatsen

Plaatsen (plaatste, heeft geplaatst), eene plaats geven aan, stellen, zetten: waar zullen wij de piano plaatsen?; zijne gasten met overleg plaatsen; — een nieuweling op school in de 8ste klasse plaatsen, hem daar laten medeleeren; — iem. op den troon plaatsen, tot vorst verkiezen; — hij plaatste zich naast mij, aan de deur, nam...

Lees verder