Plaatsen
(plaatste, heeft geplaatst), 1. een plaats geven aan, stellen, zetten: waar zullen wij de piano plaatsen?; zijn gasten met overleg plaatsen: — een nieuweling op school in de achtste klasse plaatsen; — iem. op de troon plaatsen, tot vorst verkiezen; — hij plaatste zich naast mij, aan de deur, nam daar plaats; — de tijd...