Wat is de betekenis van pips?

2020
2021-02-25
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

pips

(1990) (radio) electronische geluidjes die de nieuwsberichten aankondigen. • De Nieuwendijk was opeens gevuld met een veel te luide stem. De 'pips', zoals Quispel de elektronische geluidjes die elk uur de nieuwsberichten aankondigden wel eens door een discjockey hoorde noemen, waren hem ontgaan. (A.F. Th. Van der Heyden: Advocaat van de hanen....

Lees verder
1973
2021-02-25
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

pips

bn. (—er, meest —), met de pip behept; (fig.) niet helemaal in orde, lusteloos; vooral: er — uitzien, betrokken, bleek, zwak.

1950
2021-02-25
Dikke Van Dale

Nederlands woordenboek (7e druk)

Pips

I. v., (gew.) pip; II. bn. (-er, meest—), 1. met de pip behept; 2. (fig.) niet geheel wel, lusteloos: inz. er pips uitzien, betrokken, bleek, zwak.

Lees verder
1870
2021-02-25
Winkler Prins 1870

Nederlandse encyclopedie

Pips

Pips noemt men eene ziekte der vogels, vooral van de graanetende soorten. Men mag ze als eene verkoudheid beschouwen, waarbij de neusgaten door slijm verstopt zijn, zoodat de vogels den snavel opensperren, hoesten en kugchen en somtijds uitgeput nedervallen. Wanneer de ziekte aanhoudt, verhardt de opperhuid van de tong en van de keel, en men ontwaa...

Lees verder