Wat is de betekenis van ontzetting?

2019
2023-02-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

ontzetting

ontzetting - Zelfstandignaamwoord 1. grote mate van schrik De ontzetting stond op zijn gezicht af te lezen. 2. (juridisch) volgens artikel 31 van het Belgisch Strafwetboek, een rechterlijke beslissing die aan de veroordeelde het recht ontneemt bepaalde burgerlijke en/of politieke ambten ui...

Lees verder
2018
2023-02-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

ontzetting

ontzetting - zelfstandig naamwoord uitspraak: ont-zet-ting 1. toestand van grote verwarring en verbazing ♢ tot mijn ontzetting was het dure horloge van mijn pols gestolen Zelfstandig naamwoord: ont-zet-ting de ontzet...

Lees verder
2005
2023-02-07
Mens en recht

Mens en recht

ontzetting

Maatregel die wordt opgelegd als ouders zich verwijtbaar misdragen tegenover hun kind, waarbij hun ouderlijk gezag wordt ontnomen.

1973
2023-02-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

ontzetting

v. (-en), 1. afzetting uit een ambt of een waardigheid: na zijn ontzetting uit het burgemeestersambt werd hij verbannen; 2. ontneming, m.n. van bepaalde rechten: uit de ouderlijke macht of uit de voogdij; (Belg. recht) in staat van wettelijke 3. bevrijding van een stad; 4. verbijsterende schrik: wij vernamen het met -; 5. ontwrichting. Ontzetti...

Lees verder
1952
2023-02-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Ontzetting

s., ûntsetting.

1950
2023-02-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Ontzetting

v. (-en), 1. ontwrichting; 2. afzetting uit een ambt of een waardigheid: na zijn ontzetting uit het burgemeestersambt werd hij verbannen; — ontneming, inz. van bepaalde rechten: ontzetting van de ouderlijke macht of van de voogdij; ontzetting van bepaalde rechten (b.v. van het recht een bepaald beroep uit te oefenen); (Be...

Lees verder
1949
2023-02-07
De Kleine Winkler Prins

Encyclopedie van A tot Z - 1949

Ontzetting

zie Ouderlijke macht.

1937
2023-02-07
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

ontzetting

v. ontzettingen (1 de daad van ontzetten in verschillende bet.; 2 schrik): 1 de ontzetting uit een ambt; de ontzetting van de ouderlijke macht; 2 sprakeloos van ontzetting; nog in België, rechtst.: ontzetting van politieke en burgerlijke rechten, criminele en correctionele straf; wettelijke ontzetting, onbekwaamheid (van den veroordeelde) om,...

Lees verder
1933
2023-02-07
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Ontzetting

1° O. van bepaalde rechten is een der vier bijkomende straffen in het Ned. W. v. Str. neergelegd (art. 9 b 1°, 28 en 29). Lit.: Pompe, Handb. v. h. Ned. Strafrecht (1935, 226-229). In het Belg. recht is o. van bep. rechten een bijkomende straf, gemeen aan misdaden en wanbedrijven. Zij wordt geregeld door art. 31 vlg. van het W. v. Str. De...

Lees verder
1930
2023-02-07
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

ontzetting

v. (-en) het ontzetten inz. 1.(1): de-uit een ambt. 2. (3): de van een stad. 3. (4) : met geslagen.

Lees verder
1898
2023-02-07
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Ontzetting

v. (-en), ontwrichting : ontzetting der leden; — afzetting uit een ambt of eene waardigheid : na zijne ontzetting uit het burgemeestersambt werd hij verbannen; — berooving, inz. van bepaalde rechten : ontzetting van de vaderlijke macht en van de voogdij; — bevrijding van eene stad enz., door den vijand in het nauw gebracht; &md...

Lees verder
1856
2023-02-07
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Ontzetting

z.n.v. - Nederzakking, inzakking.