Om
I. vz., 1. om een betrekking uit te drukken van voorwerpen die zich bewegen of geplaatst zijn in een kring ten opzichte van een ander voorwerp dat zich binnen de kring bevindt: de jongen loopt om de stoel; hij heeft een gordel om het lijf; wij zaten om de tafel; een reis om de wereld; — ook waar sprake is van een gedeelte van een kring; hij d...