Wat is de betekenis van moes?

2022
2022-09-26
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

moes

(18e eeuw) (Vlaanderen, vnl. Veurne en Sint-Niklaas, Barg.) geld. Zie ook: moos*. • Moes (alleen in het enkelvoud). Ontleend aan het algemeen Bargoens. Volgens Or H. W. Keim staat het vermeld in het eerste uitgebreid vocabularium der Berlijnse dieventaal, verschenen in 1647. Samen met andere oude Bargoense woorden uit de Duitse landloperstaal...

Lees verder
2020
2022-09-26
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

moes

Het begrip moes heeft 2 verschillende betekenissen: 1) tot brij gekookte groente of vruchten. fijngehakte en tot brij gekookte groente of vruchten. 2) groente. groente. Alleen nog als tweede lid in een aantal samenstellingen.

Lees verder
2019
2022-09-26
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

moes

moes - Zelfstandignaamwoord 1. (voeding) fijngehakte of fijngekookte groente of vruchten 2. (verouderd) aanduiding van planten waarvan voedsel bereid kan worden moes - Zelfstandignaamwoord 1. (spreektaal) (koosnaam) moeder, moe, mama Kijk, dáár, dáár was de achtergalerij, en dáár stond...

Lees verder
2018
2022-09-26
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

moes

moes - zelfstandig naamwoord 1. fijn gehakte of fijn gekookte groente of vruchten ♢we maken moes van deze appels Zelfstandig naamwoord: moes de moes

Lees verder
2016
2022-09-26
Culinair van a tot z

Culinair van a tot z

moes

a. Pureeachtige samenstelling, die verkregen kan worden van zaden, peulvruchten, vruchten, tomaten, groenten, rabarber e.d. b. Gerechten van fijngehakte groenten of een tot brij gekookte vruchten, zoals bijvoorbeeld appelmoes ​

Lees verder
1980
2022-09-26
Blauwe Scheen

Lexicon Beeldende Kunstenaars

Moes

Wilhelmina Walburga (‘Wally’); geb. Amsterdam 16 oktober 1856, overl. Laren (N.H.) 6 november 1918. Woonde en werkte in Amsterdam (Dusseldorf en Parijs) tot 1898, daarna in Laren (N.H.). Leerlinge van de Rijksakademie te Amsterdam (1876-1878 en 1880-1884) oJ.v. A. Allebé en van R. Burnier te Dusseldorf Schilderde, tekende en etst...

Lees verder
1952
2022-09-26
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Moes

s.n., smots (de & it); tot — maken, smotskje; tot — koken, oan smots siede.

1950
2022-09-26
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Moes

o., 1. gerecht van fijngehakte groente of tot brij gekookte vruchten; zij heeft de aardappelen tot moes laten koken, geheel fijn ; — iem. tot moes slaan, hakken, morsdood slaan; 2. (fig.) mengeling; 3. groente; — (gew.) boerenmoes, boerenkool.

Lees verder
1937
2022-09-26
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

moes

o.; een of ander gerecht, gekookt of gestoofd van fijngehakte groente, kool met verschillende toevoegsels; ook: een spijs van gekookte vruchten; soms: groente.

1933
2022-09-26
Katholieke Encyclopaedie

25 delen, uitgegeven 1933-1939. Uitgeverij Joost van den Vondel te Amsterdam.

Moes

Fijn gekookt fruit, hetzij met suiker in den vorm van appelmoes, kruisbessenmoes e.d. of ingedikt tot jam, hetzij zonder suiker voorloopig verduurzaamd tot pulp om later tot jam te worden verwerkt. Vruchten met veel zuur leveren het beste m., doordat het zuur meehelpt om het plantaardig weefsel los te maken.

1930
2022-09-26
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

moes

I o. tot brij gekookte groenten of vruchten : de aardappelen tot koken; van kolen; appel-; iemand tot slaan, geducht afranselen. II moes v. (-je) Kindert. moeder.

Lees verder
1911
2022-09-26
pluim

Keur van Nederlansche woordafleidingen

Moes

vermoedelijk verwant met mati = spijs; zie Maat. (Men onderstelt een Got. mosa, in plaats van: motta.)

1898
2022-09-26
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

Moes

1. Moes o. tot brij gekookte spijs uit groente of vruchten: appelmoes; (fig ) zij heeft de aardappelen tot moes laten koken, geheel fijn; — iem. tot moes slaan, hakken, hem geducht afranselen; (fig.) mengeling. 2. Moes o. (plantk.) boerenmoes, boerenkool.

Lees verder
1864
2022-09-26
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Moes

Moes, o. gmv. spijs uit planten en vruchten toebereid. *-GROENTE, v. *-HOF, m. (...oven), moestuin. *-JANKEN, ow. gel. den verliefde spelen, drentelen voor de deur van een meisje. *-JANKER, *-JONKER, m. (-s), vrijer, minnaar. *-JE, (B. -N), o. (-s), pronkpleistertje; stipje (op eene geweven of andere stof). *-KOPPEN, ow. gel. stroopen, vrijbu...

Lees verder